Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men in een of ander dierlijk se- of excretum met tuberkelbacillen, dan wel met pseudo-tuberkelbacillen te doen heeft, dan wrijft men het te onderzoeken materiaal met wat voedingsbouillon samen en plaatst het in een broedstoof bij 28 tot 30° C. Is er na verloop van eenige dagen vermeerdering van zuurvaste bacillen, dan mag men met zekerheid aannemen, dat geen echte tuberkelbacillen in het spel zijn, want die groeien bij 37° C., en niet bij de aangewende lagere temperaturen.

Aan de hand van mededeelingen van Moeller (1) kan over die pseudo-tuberkelbacillen nog het volgende worden medegedeeld, wat vooral van belang is, omdat er tusschen den tuberkelbacillus en deze bacillen werkelijk een groote mate van verwantschap bestaat, feiten waarop trouwens ook door anderen werd gewezen.

Wat het zuurvast-zijn betreft, wijst Moeller op de opvatting van Koch daaromtrent, bestaande in het aannemen van een omhulsel, met bepaalde eigenschappen. Borrel toonde aan, dat zeer jonge tuberkelbacillen nog niet zuurvast zijn, maar bovendien, dat men aan tuberkelbacillen, door behandeling met x y 1 o 1, de zuurvaste stof kan ontnemen. Men krijgt dan een wasachtige, zuurvaste zelfstandigheid, terwijl de overblijvende stof niet meer zuurvast is. De van de zuurvaste stof beroofde tuberkelbacillen zijn nog pathogeen, maken caviae nog tuberculeus, en deze op die wijze geïnfecteerde dieren reageeren op tuberculine. In elk geval is de zuurvastheid met een hoog gehalte aan was- of vetachtige zelfstandigheden in verband te brengen. Bovendien bewees H e 11 w i g, dat chitine ook zuurvast is.

Flügge heeft er op gewezen, dat men zuurvaste bacillen van tuberkelbacillen kan onderscheiden door konijnen in de voorste oogkamer te enten ; in geval van echte tuberculose krijgt men tuberculose van de iris, met pseudo-tuberkelbacillen niet.

Ik wees er reeds op, en ook Moeller doet zulks, dat bij subcutane enting door pseudo-tuberkelbacillen slechts een lokaal proces optreedt, terwijl de laesies, door pseudo-tuberkelbacillen veroorzaakt, zich niet opnieuw op andere dieren laten overenten ; wel kan men uit de zieke organen de bacillen weder kweeken, en met die cultuur opnieuw dieren enten. Maar verder wijst hij er op, dat de met pseudo-tuberkelbacillen geënte dieren eigenlijk niet ziek worden, zelfs in gewicht toenemen in plaats van te vermageren, in tegenstelling met de werkelijk tuberculeuze caviae. Doodt men de oogenschijnlijk gezonde dieren, dan is men er over verbaasd, zulke uitgebreide pseudo-tuberculeuze veranderingen aan te treffen.

Wanneer de anatomische veranderingen, door pseudo-tuberkelbacillen opgewekt, op die der echte tuberculose gelijken, dan is er toch nog

1) Moeller, Lehrbuch der Lungentuberkulose, Wiesbaden, 1910.

Sluiten