Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

59

Zich verpraten.

Zich vergissen.

Zich vergrijpen (aan).

Zich opwerpen (tot) (als)

Zich vergapen (aan).

Zich vergenoegen.

Zich vermeten.

Zich verlaten (op).

Zich vertreden.

Zich vermeien.

Zich verheffen (op).

Zich verpoozen.

Zich verzetten (tegen).

Zich wegpakken.

Zich opmaken (tot).

Mannen, maak alles klaar voor den strijd! Nu ge het werk af hebt, kunt ge wel een kwartiertje gaan uitrusten. Hij was tevreden met het weinigje, dat we hem gaven. Wie werkt zonder af en toe ontspanning te nemen vergt te veel van zijn krachten. Wie veel praat, praat wel eens over dingen, die hij voor zich moest houden. Hij deed net, alsof hij diep bedroefd was. Toen de dieven bemerkten, dat er op hen geloerd werd, gingen ze er van door. Ik heb liever geen bemoeienis met andermans zaken. Er zijn menschen, die groot gaan op hun slechte handelingen. Ge zult rekening moeten houden met de omstandigheden. De kinderen maken pret in het frissche water. Laat u nooit bedriegen door den schijn. Ik heb verkeerd gedaan, toen ik hem zoo beoordeelde. Ge behoeft nooit schaamte te gevoelen over een goede, eerlijke daad. Onze troepen boden hardnekkig tegenstand aan den binnendringenden vijand. Wie zou den moed hebben zoo iets te doen? Ik reken vast op uw hulp. Steekt nooit een vinger uit naar 't goed van anderen. Heb mede-

Sluiten