Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1. Ter inleiding. Van zedekunde kan men eerst daar spreken waar öf analytisch naar den oorsprong öf synthetisch naar den aard van het zedelijke leven een wetenschappelijk onderzoek wordt ingesteld. Geheel anders is het, waar men handelt over de geschiedenis van het zedelijke leven of aan de zedelijke begrippen die aan de volksmoraal ten grondslag liggen de aandacht wijdt. Ook wat de oude Grieken betreft, is een en ander te vermelden ten aanzien van hun zedelijk leven en hun zedelijk inzicht, uit den tijd, toen zij aan zedekundige studiën nog niet dachten. \\ ij wijzen op de poëzy van Homerus , waar o. a. de evoéfteca tegenover de a&dvaroi wordt aanbevolen en het kwaad aan misleiding van het verstandelijk inzicht door "Artj wordt toegeschreven; op de werken van Hesiodus, waarin beginselen van sociale ethiek worden aangetroffen; op de disticha van Theognis, waarin moraal en politiek worden verbonden in de verheffing van de deugden der vroomheid , rechtvaardigheid, wijsheid en dapperheid; op de Delphische spreuken , waaronder het yvmi'h oavzóv en het /zrjdèv ayav het meest bekend en het meest duidelijk zijn, en op lyrische en dramatische dichters, als Pindarus , Aeschylus en Sofhokles , in wier meesterstukken niet zelden gedachten worden uitgesproken van diep-zedelijken ernst (Benjamin Constant. De la religwn III p. 409—433, NIgelsbach. Homerische und Nach-homerische Theologie, Göttling. Gesammte Abhandlungen I S. 221—250, Schultz. Philologus XXIY S. 193—226, Dr. Chr. E. Luthardt. Die, Antike Ethik in ihrer geschichtlichen Entwicklung u. s. w. 1887, Dr. K. Loeschhorn. Ethische Studiën 1892 en De notione Dei Aeschylea et patrum ecclesiasticorum 1892, Leopold Schmidt. Die Ethik der alten Griechen, Theobald Ziegler. Die Ethik der Griechen und Römer 1886, Köstlin. Die Ethik des klassischen Altertums, Hoekstra. Geschiedenis van de zedenleer I bl. 267—400, H bl. 1 116).

2. De oudste wijsgeeren der Grieken. Men kan het zedelijke leven beschouwen als streven naar het hoogste goed, of als zelfbepaling naar eene vaste norma, of als vervulling van bepaalde plichten. Het een zoowel als het ander is voor nadere bepaling en onderscheiding vatbaar. Het hoogste goed kan al dan niet eene godsdienstige kleur dragen

XII

12

Sluiten