Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ XLIV. Iulamlsche oiilïiiiiiiiiK'i'ii.

voorbehouden van concessies die door tijdsverloop eindigen ^ [IM. 34 (l)j.

Dit is het hoofdmotief geweest voor het uitgeven van concessies van beperkten duur, waartegen overigens een aantal bezwaren zou kunnen worden aangevoerd.

7. Op welke wijze het Gouvernement de beschikking over den benoodigden grond verkrijgt is te vinden in:

MO. 130 (2) . . . . opsporingen;

MO. 262 (1) rf;e. 2e; (2). ontginningen; beschikking

voor niet langer dan 3 jaren ;

MO. 269 ontginningen; beschikkingen

voor langer dan 3 jaren over gronden niet behoorende tot het Staatsdomein en binnen het concessieterrein gelegen;

MO. 281 (2) . . . . ontginningen; beschikkingen

voor langer dan 3 jaren over gronden niet behoorende tot het Staatsdomein en buiten het concessieterrein gelegen;

MO. 279, 280 .... ontginningen ; beschikkingen

over gronden behoorende tot het Staatsdomein.

1. De Indische Mijnwet is krachtens art. 6 (2) niet van toepassing op de ontginning van delfstoffen door de inlandsche of daarmede gelijkgestelde bevolking ondernomen [50 (2)] voor zoover die ontginning:

a. op kleine schaal en voor eigen rekening en bate geschiedt; '

b. als behoorende tot de verpachte middelen of uit anderen . hoofde, afzonderlijk geregeld is.

Het zal soms moeilijk zijn uit te maken of de criteria, in a genoemd, aanwezig zijn; van daar dat de beslissing aan den G. G. is overgelaten [zie ook MO. 50 (3)j.

In elk geval moeten de criteria gelijktijdig aanwezig zijn. Over een en ander handelt zeer uitvoerig Toel. MO. blz. 21 — 59, zie vooral blz. 40— 45.

De Inlander, die zijn mijnontginning inricht volgens

Sluiten