Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 15.

(1) De chef van het mijnwezen is bevoegd zonder opgave van redenen de beëediging van de ingediende halfjaarlijksche productiefs la ten te vorderen.

(2) De eed, of de daarvoor naar gelang van de godsdienstige gezindheid in de plaats tredende belofte of bevestiging, behelst dat in de staten niets is vermeld of verzwegen met het opzet van benadeeling van 's lands schatkist.

(3) De eed dan wel belofte of bevestiging wordt door te Batavia woonachtige concessionarissen en vertegenwoordigers van concessionarissen afgelegd in handen van den chef van het mijnwezen en door elders in Nederlandsch-Indië woonachtige concessionarissen en vertegenwoordigers van concessionarissen in handen van het hoofd van plaatselijk bestuur in wiens ressort de concessionaris of de vertegenwoordiger van den concessionaris metterwoon is gevestigd, en wel binnen dertig dagen nadat door hen de oproeping daartoe is ontvangen. Indien de concessionaris of vertegenwoordiger van den concessionaris door ziekte, afwezigheid of andere gewichtige redenen verhinderd is den eed tijdig af te leggen, kan de gestelde termijn door de genoemde ambtenaren binnen redelijke grenzen worden verlengd. De chef van het mijnwezen dan wel het hoofd van plaatselijk bestuur teekent op den betrekkelijken staat aan of, en zoo ja wanneer, de eed dan wel belofte of bevestiging is afgelegd.

(4) De oproeping tot aflegging van den eed, de belofte of de bevestiging wordt door de zorg van den chef van het mijnwezen dan wel van het in het derde lid van dit artikel bedoeld hoofd van plaatselijk bestuur aangeteekend per post of tegen gedagteekend ontvangbewijs aan de concessionarissen en vertegenwoordigers van concessionarissen toegezonden of uitgereikt.

(5) Ingeval de eed, belofte of bevestiging niet binnen den gestelden termijn wordt afgelegd, is de chef van het mijnwezen bevoegd de in de halfjaarlijksche productiestaten vermelde hoeveelheden producten te verhoogen tot zoodanig cijfer als hem noodig en billijk zal voorkomen; ten aanzien van die verhooging is het aan het slot van artikel 12 bepaalde van toepassing.

Artikel 16.

(1) Wanneer door den chef van het mijnwezen, met het oog op de cijnsheffing, analyseering van al dan niet bereide of verwerkte mijnbouwproducten ter bepaling van het gemiddeld gehalte wordt noodig geacht, worden door een daartoe door hom aangewezen mijningenieur, in tegenwoordigheid van den beheerder der onderneming of een daartoe door dezen aangewezen persoon, plaatselijk de noodige monsters genomen.

(2) Het gehalte van de in het vorige lid bedoelde monsters wordt door den aangewezen mijningenieur bepaald en daarvan door hem proces-verbaal opgemaakt op zijn ambtseed. De beheerder der onderneming is gehouden dien ingenieur in de gelegenheid te stellen om zoo noodig voor het bepalen van het gehalte der monsters gebruik

Sluiten