Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ciëelen ernst zijne oorlogsverklaring overhandigd hebben dan onze groepscommandant de Jobstijding ontving en een oogenblik dachten wij zeiven aan zoo iets als „katjesspel" of wel de mogelijkheid van een werkelijken oorlogstoestand; zoo theatraal had de overste zijne rol opgevat.

Doch bovenal het aanwezig publiek geraakte onder den indruk, dat er iets gaande was. Er waren al menschen in * * * geweest, die bedenkelijk het hoofd geschud hadden bij al die krasse toebereidselen en angstig zich hadden afgevraagd, of 't niet wel eens „meenens" zou kunnen worden; zij, die onzen overste hadden gadegeslagen, moesten dien ongeluksprofeten gelijkgeven en

waren de meening toegedaan, dat dagen van beproeving

*

waren aangebroken.

Fluks werden de noodige orders gegeven; alles meteen stalen gezicht en een tooneelmatig optreden, dat onverbeterlijk mocht worden geacht. In allerijl werd door de officieren opgebroken; met de zondagsrusc was het gedaan.

En met een voorkomen van bezorgdheid en gewicht verwijderde ook de overste zich, om de goede burgerij in de akeligste spanning achter te laten.

Het moet gezegd worden, het optreden van onzen overste was indrukwekkend geweest en een komediant van beroep had hem dit niet kunnen verbeteren.

„Meneer," dus klampte een der ingezetenen van het stadje met benepen gezicht mij aan, met blind vertrouwen op mijne rechtschapenheid; „er is toch geen onraad?"

Door mimiek gaf ik te kennen, dat stilzwijgen mij was opgelegd en veelbeteekenend haalde ik de schouders op; waarna ik, de kletterende sabel achter mij aan sleepende, met groote stappen den theetuin verliet.

Sluiten