Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En niemand was er onder hen, welke daar achterbleven, welk niet met bange voorgevoelens was vervuld of ook maar een oogenblik er aan twijfelde, dat al die ongewone drukte wel degelijk iets te beteekenen had.

„Ze hadden 't vooruit wel gezeid, dat er wat aan de hand was."

III.

Hard was er gewerkt; al de spijkers en het ijzerdraad waren nu in waarheid opgebruikt; versperringen en wolfskuilen, en wat de wetenschap aan de hand doet om ongenoode gasten het binnenkomen te bemoeilijken, waren er; de vuurmonden waren in batterij gebracht en de waakzaamheid in de verdedigingswerken, waarin de menschen dooreen krioelden, liet niets te wenschen over.

Huiselijk zag 't daar achter die hooge borstweringen niet uit; de verrichte arbeid had iets tijdelijks en ruws, de bodem was glibberig, op enkele plaatsen in een modderpoel herschapen. In de donkere kazematten zag het er onhuislijk en wanordelijk uit; dit laatste een onvermijdelijk gevolg van zóóveel menschen in een bekrompene ruimte, als maar eenigszins mogelijk is.

Denkt men daarbij zich nu een overstelpend vijandelijk vuur, bommen en granaten, die haar doodende scherven in 't rond verspreiden en al, wat zich buiten de bomvrije ruimten moet wagen, met verderf bedreigen, zoo kan men zich voorstellen, hoe 't er dan in zoo'n fort uitziet en wat gevoeligen knak het moreele der bezetting bekomt, wanneer de ooilogsdemon in werkelijkheid zijn geesel zwaait.

Sluiten