Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lem Korver en mij op zijn kamer genoodigd om voor de composities eens een en ander samen door te zien en te herhalen, en het „Toesjo" sneed in eens alle geleerde gesprekken af.

„Hèj'-n kwartje, Willem?" vroeg ik.

Doch geen van ons had eenig geld op zak, en „poeffen" deed Manes niet.

„Wacht even," zeide Karei, „da's niks" — en in een oogwenk had hij een paar geledingen van zijn bamboehengel in elkaar gezet en de lijn afgerold.

Terwijl Manes voldeed aan een wenk van den schoenmaker aan de overzijde, en hem, met een praatje, een dozijntje avelen bracht, hengelde Karei met groote geschiktheid het viertal overige risjes naar boven.

De terugkeer van Manes werd met spanning afgewacht, en het kostte groote moeite ernstig te blijven bij het verwonderde gelaat dat deze zette, telkens de straat op en neer ziende.

Eindelijk kon hij zich niet langer goed houden, en met een hartelijk: „Crénom de nom" kruide hij zijn wagen naar de overzijde, terwijl hij met stentorstem Mingels, den schoenmaker, terug riep.

„Mingels," vroeg hij, „is er iemand de straat afgekomen terwijl ik je die avelen bracht?

Geen christenziel!"

„Weet je dat zeker? Kan er iemand bij mijn kruiwagen zijn geweest in dien tijd?" •

„Zeker niet, want dan had ik het moeten zien, ter wijl ik in de deur stond."

i) Borgen.

Sluiten