Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijntje werpt zich op een stoel, snikkend in heftige schokken ....

„Moessie," vleien de beide jongsten, haar met wijde kinderoogen aanstarend en zich aan haar rokken klemmend .. . En hun lipjes beginnen te trillen en luid schreiend biggelen hun de traantjes over de wangen, terwijl ze vragend opblikken, als- zochten ze een oplossing voor het geheim van moeders groot verdriet...

Maar, als hij dan zijn tijd verzwendelde, dan zou zij trachten, het roer recht te houden, flikkerde het als een hoopvolle lichtstraal in haar op, zich aan eiken stroohalm vastklemmend. En uit de bakken speurde ze de rijkst bloeiende potten op en Abel, een elfjarige, stevige jongen, die juist uit school kwam, sjouwde ze in de schuur en samen bonden ze de planten op, tot zwarte schaduwen in de hoeken van het bloemenhok zich uitspreidden als donkere waden over de kleurige, geurige bloemenrijen ....

Aan den ingang van de schuur plaatste zich plotseling een zwaaiende gestalte voor het binnenvloeiende, roodvlammende avondlicht en opziend zag Mijntje het purperen, bol-opgeblazen dronkemansgelaat van Bram karbonkelen tegen de schemerende vaagheid in de werkplaats.

„Schei verd maar uit, 'k heb m'n schuit verkocht .... De blommen laat ik publiek veilen . . .."

„Zullen we dan 't geld niet naar den potteman brengen? ..

„Wat gaat mijn die kerel an. Kom, stap op en maak wat eten klaar voor me .... Abe, hier, centen voor 'n half maatje."

Sluiten