Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nel was dien dag evenals de voorgaande stil en kalm, haar gezichtje was zeer bleek. Zij zag er uit als iemand, die na een langen, inwendigen strijd tot een besluit is gekomen en nu rust voor het gemoed heeft gevonden. Ik kon niet nalaten haar telkens tersluiks aan te kijken, ik begreep niet wat ik aan haar had.

Walter en ik waren de eersten, die 's avonds verschenen.

„Men zou zijn eigen huis uitloopen," zeide papa, nadat wij eenige oogenblikken bij elkaar waren en hij stond, alsof hij zijne bedreiging terstond ten uitvoer wilde brengen, op uit den leuningstoel, waarin hij zat. „Wat geeft dat gas van avond weinig licht," vervolgde hij pruttelend. „Het is alsof jullie allemaal met elkaar gek bent geworden. Omdat Nel nu verkiest te treuren om verloren levensgeluk, zooals de boeken dat noemen, zit jullie allemaal met begrafenisgezichten te kijken."

Mijnheer Haersma was in den laatsten tijd bijzonder zenuwachtig en opgewonden en had rust noch duur.

„Het is om dol te worden," mopperde hij en liep met zware stappen, zijne handen in de broekzakken, de suite op en neer. Tallooze lichten brandden, speeltafeltjes stonden gereed, het vuur knetterde gezellig, het was een behaaglijke tegenstelling met het gure, maartsche weer buiten. Straks zouden zich de vertrekken met vroolijk pratende gasten vullen, die een even groote tegenstelling zouden vormen met den gemoedstoestand van den gastheer en zijn gezin. Mama zat naast mij in een rijk gezelschapstoilet, met zorg en ernst op haar gelaat. Zij deed nu nog geen moeite dit te verbergen.

Sluiten