Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Bijbel opzegt. Daarop zingen zij te zamen een Latijnschen kerkzang, beginnend met de woorden: „Formavit igitur dominus."

Daarmede is de proloog geëindigd en het eigenlijke stuk begint.

„God" treedt uit de kerkdeur, gevolgd door Adam en Eva. De eerste heeft een forsche gestalte en diepe stem; zijn grijze baard staat hem majestueus, zijn wit haar is onbedekt en hij draagt een lang, wit gewaad met mouwen.

Eva is een blonde schoonheid, wel wat schaapachtig van uitdrukking, ze heeft een wit japonnetje aan en hare lange gouden haren zwieren haar over den rug. Adam is een bijzonder mooie jongen met donker, geestig uiterlijk, wien de groote roode mantel zeer goed staat. „God" spreekt met het menschenpaar, dat hem „Sire" noemt, legt beiden afzonderlijk „la loi du mariage" uit, wijst hun het Paradijs met al zijn heerlijkheden, en besluit met het doen van het bekende verbod. Adam belooft gehoorzaamheid ook uit Eva's naam, en zegt, terwijl God achter de kerkdeur verdwijnt, dat het wel dwaas zou zijn, terwille van een appel de hemelsche liefde te verliezen.

Terwijl Adam en Eva liefjes door den tuin kuieren, een bloempje plukkend en eene china'sappeltje schillend, komt het koor weer op en zingt een lied in het Latijn. Maar nu beginnen er gevaren te dreigen. Uit de hel en uit de deur met het eene oog komen duiveltjes te voorschijn, gekleed in groen en rood. Zij springen en duikelen, toonen uitnemende gymnasten te zijn en wijzen spottend op het gelukkige menschenpaar en op den tuin, waar zij niet mogen binnengaan.

Sluiten