Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je maakt me wakker," morde hij. „Hoe laat is het?"

„Kwart over negen."

„Zóo vroeg nog! Dan had ik nog minstens een uur kunnen slapen. Ik heb vóór elf uur niet op het bureau noodig. Wat heb-je me zoo vroeg te wekken?"

,,'t Is een fatsoenlijke tijd voor een fatsoenlijk mensch."

„Zeg, ben je alleen hier gekomen, om me wakker te maken en me boetpredikaties te houden? Laat me slapen," en hij keerde zich onder de dekens van haar af.

„Je kunt zoo straks slapen, zoo lang als je wilt, maar je moet nu naar me luisteren, Arnold," sprak de zuster, „je bent vannacht weer zoo laat thuisgekomen, ik heb je wel gehoord op de trap; moeder heeft gezegd, dat het mijn schuld was, dat je er gisteravond nog uitliept."

„Dat was het ook," viel Versteeg haar in de rede, zich weder tot haar keerende.

„Ik weet dat nog zoo zeker niet; maar dat weet ik wel: mijn schuld is het niet, dat je zoo laat bent thuisgekomen. Ach Arnold, ik ben wel eens hard en scherp tegen je, maar ach God, als ik dan ook zie, hoe jij je geld maar wegsmijt,... net als gisteravond nu weer. . . want dat kost toch geld dat nachtbraken ... en dat terwijl je moeder ... o, je moest eens weten ..." en het meisje barstte in snikken los.

Arnold Versteeg was een weeke natuur. Zijn zuster zien schreien, zonder te ontroeren, kon hij niet.

„Kom,... neen ... je moet nu niet huilen ... het hééft me vannacht geen geld gekost... ik ben van het bureau naar een fuifje gegaan ... bij een collega ... die was jarig .. . Hoe zou ik geld uitgeven? ... ik heb het niet... als ik het had, dan zou ik het moeder geven."

Sluiten