Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarover de pastoor vroeger wel gesproken had. Juist omdat hij die vreugdeschok had gevoeld, zoo redeneerde hij, was 't wel zeker, dat satan er in gemoeid was, en vreemd, hij vond in die gedachte zeker genoegen. Toen had hij een stukje van den hoop genomen en in zijn vest gestopt met het voornemen het morgen in de stad te wisselen. Doch heden in de stad had hij voortdurend vermeden tot wisselen over te gaan; zijn laatste dubbeltjes en centen had hij bij elkaar gescharreld telkens als hij in een winkel kwam waar hij eene kleinigheid kocht. Ten slotte gaf hij 't op en had hij den terugweg aangenomen, in een herberg een borrel schuldig blijvende en met het gouden tientje zonder eenig ander gezelschap in zijn vestzak. Zou hij 't op 't dorp maar wisselen ? Daar toch kon iedereen hem, 't was alsof hij in de stad niet zoo goed durfde. Neen, dat ging toch niet, hij zou maar wachten tot maandag.

Diep in gedachten als hij was, bemerkte hij niet dat een der hoefijzers van zijn paard was losgeraakt. Toen hij eindelijk zag dat het dier kreupelde, was 't te laat en was het ijzer verloren. Er viel niets aan te doen, hij moest maar naar huis sukkelen en 't ijzer bij den dorpssmid laten vernieuwen. En de centen? Nu in Godsnaam dan, het moest maar gebeuren, de smid moest maar wisselen, dan was 't uit en kon hij van nacht rustig slapen. Morgen mooi zilvergeld voor den Zondag.

Klatsch! Klatsch!

Sluiten