Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke wij moesten volgen om het gebied van de goudmijn te bereiken.

Na ons van de noodige proviand te hebben voorzien, aanvaardden wij op een helderen morgen den tocht, gezeten in twee rijtuigen, welke duidelijk toonden na hunne geboorte nooit met water in aanraking te zijn geweest en die bespannen waren met een tweetal riffen van paarden.

Wij schommelden langs een goed onderhouden straatweg in noordwestelijke richting. De Schlossberg, met zijne brokkelige hellingen begroeid met zwaar beukenhout, waarop de herfst zijn bronzen stempel reeds heeft gezet, is steeds links van ons. Wij gaan de spoorbaan naar Arad over en passeeren eenige oogenblikken later, bij het dorp Sölvmos, de rivier de Maros langs een houten brug, welke zoo zwak gebouwd schijnt te zijn, dat onze paarden van draf in stap moeten overgaan. Aan de overzijde gekomen rijden wij het armoedige gehucht door, dat slechts uit enkele vrij schamele huizen bestaat.

Spoedig hebben wij het dorpje achter ons, wenden naar het oosten en vervolgens noordwaarts door eentonig, golvend terrein. Nu en dan, als een krachtig woord te midden van een kwijnend gesprek, een alleenstaande forsche rots. Talrijke hoopen afgeplukte maïs geven door hun helgele tint toon en kleur aan het landschap.

Een schilderachtig groepje stuift ons voorbij; een span paarden voor een boerenwagen en daaromheen, als jonge honden in dartele sprongen, twee sierlijk gebouwde veulens.

De vrij smalle weg wordt slechter en de veeren van ons rijtuig laten nu en dan een onheilspellend gepiep

Sluiten