Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan twee plaats, rijden in een zeer kalm tempo het erf af en komen weer op den weg terecht.

Wij hebben als wagenmenner een zwartoogige Hongaarsche jongen, wiens witte kleeding seherp bij zijn bruine huid afsteekt. Een onbeschrijfelijk vuil vilten hoedje bedekt zijn blauwzwarte haren, terwijl zijne voeten in sandalen (o p i n s h) steken.

Dit is het gewone kostuum van de mannen; alleen dient nog vermeld te worden, dat, tegen de morgen- en avondkoelte, over het witte buis gewoonlijk een vest gedragen wordt van schapenvacht, met de wol naar binnen gekeerd en aan de buitenzijde versierd met talrijke gekleurde eigenaardige figuren, terwijl het middel omsloten wordt door een breeden lederen gordel, meestal dienende tot bergplaats van een mes.

Met zwaar schokkende bewegingen trekken de logge dieren ons langzaam voort. Nu en dan laat onze koetsier een langgerekt He! dai! of een scherp Prrt! hooren, om zijn tweespan te doen weten, dat hij nog altijd naast of op den wagen is en wij gaan een weinig sneller voorwaarts. A an tijd tot tijd kiest hij echter een smal voetpaadje en verdwijnt geheel, om na een vijftal minuten weer op een hooger gelegen punt te voorschijn te komen, waar hij ons dan, goedig lachende, afwacht en tot tijdverdrijf sigaretjes rolt of met zijn zweep pruimen van de boomen slaat.

Gedurende zijne afwezigheid zijn wij aan de genade van de beide ossen overgeleverd en hoe nauwkeurig wij dan ook het Prrt! van hun drijver trachten na te bootsen, ons span laat zich niet misleiden en verlaat geen oogenblik zijn kalmen stap.

Sluiten