Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Van tijd tot tijd waarschuwt een waterstraal ons, dat wij onder een bron staan.

Eenige natte slingerplanten, die als franje van het gewelf neerhangen, geven ons een gewaarwording alsof wij onder de drooglijnen van een wasscherij loopen en wij bukken ons dan ook eerbiedig telkens wanneer wij weder zulke planten ontmoeten, om het onaangename gevoel, veroorzaakt door de vochtige, kille stengels, die zich als slangen om den hals kronkelen, te ontgaan.

Wij passeeren weder eenige zijgangen, terwijl de weg hoe langer hoe slechter wordt en aantoont dat er reeds geruimen tijd in de mijn niet gewerkt is. Wij zijn thans genoodzaakt telkens gedurende ettelijke minuten wijdbeens te gaan, voor onze voeten steunpunten zoekende tegen de zijwanden, daar de bodem van de in de rotsen uitgehouwen gang een vrij diepe moddersloot vormt.

Tusschenbeide is het voortgaan niet mogelijk dan nadat de mijnwerker eenige rotsstukken van den wand heeft losgehakt en die, tot het vormen van een overgang, in den modderpoei heeft neergelegd. Voorzichtig van het eene blok op het andere stappende overschrijden wij dan de onbegaanbare plaats.

De handen ontvellen en worden pijnlijk door het schuren langs de scherpe steenen wanden en nog altijd zijn wij niet waar wij wezen moeten.

Doch ten langen leste is het einde van de groef, waar een goudader geopend is, bereikt.

Van goud echter ‚Äěkeine Spur" en hoe aandachtig wij, met behulp van de mijnlampen, de rotsen ook bekijken waar, volgens aanwijzing van den Pope, de goudader

Sluiten