Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een kaartje, bracht haar in den trein, en verzocht den conducteur haar nog eens te waarschuwen wanneer zij moest uitstappen.

Dienzelfden dag nog keerde ik terug naar buiten, en daar ik nu vooreerst niets om handen had, nam ik de uitnoodiging van Oom aan, om hem gezelschap te blijven houden. Dit bleek trouwens ook wenschelijk, want de goede man was door het vertrek der oude vrouw geheel uit zijn gewone doen en van streek geraakt.

„Zoo'n erm deer! Waat trèkt 'et zich det toch èrg aan! Och, och, es det Schtina mer neet dood geit, dan weit ich mit Angenees geine raod."

Mijne pogingen tot afleiding en opbeuring hadden eerst na herhaalde mislukkingen eenig succès, toen hij zuchtend zeide: „Noe dan! Es 'et dan zóo is, dan is 't zóó. Veer1) wille d'r mer 't béste van haope."

Buurman Lamers, nog dagelijks met oom twistend over het vangen van vogels, het spijkeren van eene levende vleermuis op de schuurpoort, over het hangen van een hoefijzer naast en het verven van een kruis boven de voordeur, — buurman Lamers deed zich nu ook kennen van zijne goede zijde. Hij kwam tot mij met de vraag:

„Jongeneer, eur oome is eine gooie mins, al hèet-er 2) gein religie — en hae wèt van alles, al zèèt-er döks 3) heel dom zakes ouch; dan dink ich mer altied: van einen os kan me niks angers verlangen es rinjsvleis 4),

I) Wij. 2) Al heeft hij. 3) Al zegt hij dikwijls. 4) Rund-

vleesch.

Sluiten