Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door de takken der appelboomen vol glanzende bloesems van wit en roze dartelden de vlinders, frisch stonden de lichtgroene blaadjes aan alle struiken in hun lente-teerheid van kleur.

Tusschen madeliefjes en appelbloesems en jong groen speelde een lente-kindje, een wezentje, nog heel onbewust in haar beweginkjes en praten en ook in haar denken. Maar dat deed ze toch al, ze moest altijd iets hebben om over te denken en dan lief te hebben in haar hartje. Ze zei dat niet, ze hield het voor zich héél alleen.

Ze dacht er aan 's avonds in haar bedje en kon niet slapen als ze 't niet had.

Maar het veranderde dikwijls.

Toch is dat altijd later gebleven in haar leven, altijd was er iets voor het innigste van haar eigen gedachten alleen. En het bleef ook altijd hetzelfde: adoratie, voor een schepping, van droom vooral. Dat is haar pas veel, véél later duidelijk geworden, wat dat gevoel eigenlijk was.

Nu was ze nog een klein meisje en speelde het liefst den heelen dag in den grooten tuin, onder de appelboomen, waar 't soms roze bloesems regende op haar, die ze juichend opving in haar witte jurkje. Er was een klein vriendinnetje dat mèt haar speelde tusschen al het lichte lente-gebloei.

Die wou de mooie bloesems begraven, omdat ze nu toch dood waren. Maar Litha hield ze beschermend vast in haar jurkje, en vond ze veel te mooi om ze te stoppen in den kouden, donkeren grond.

Ze wist hoe zwart en donker die grond was, 7.e

Sluiten