Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu stopte ze de blaadjes gauw in een kuil, en wierp er haastig aarde over heen. Ze was een beetje verdrietig geworden, nam poes en reed ermee rond in haar poppenwagentje, waar nooit een pop in lag; dat waren doode, stijve wezens, ze kon hen niet uitstaan. Poes lei haar kopje guitig op 't kussen en liet zich deftig rondrijden, — poes was veel aardiger dan een pop.

Zoo groeide het kindje op in den bloeienden lentehof harer onschuldsdroomen, met overal- om haar heen de wijde natuur, die zoo heel vroeg al sprak tot haar hartje van denkend klein meisje.

In den zomer was zij immers altijd omgeven door bloemen en groene struiken en vogeltjes, en 't kleine witte figuurtje dartelde in breed-statige beukenlanen rond en verschool zich op warme zomermiddagen in prieëeltjes, door de ineengestrengelde takken van het kreupelhout gevormd. Even lachte de blauwe hemel nog tusschen de breede eikenbladeren door, en ze sloot de oogen en droomde.... ze hoorde torren en kevers praten, allerlei wonderlijke geschiedenissen vertelden die elkaar tusschen het groene, zachte mos, — en eindelijk sliep ze in, met haar hoofdje op het mos onder de zacht zich bewegende bladeren boven haar.

Dan ging d'e kinderjuffrouw haar zoeken en nam haar mee naar huis, want ze mocht niet zoo in het bosch alleen zijn. Ze was nog veel te klein, de kleine Litha. Want ze praatte soms over kaboutertjes, die ze gezien had, en die o, zulke mooie dingen vertelden aan hun klein vriendinnetje. Dan wond ze zich op en gloeide van verontwaardiging als men zei, dat die niet bestonden,

en het allemaal maar verzinsels van haar waren.

II. »

Sluiten