Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar als Cornelia dan sterft.

Vriendlief, het gaat niet.

God dokter, ga toch mee, de oude herder geeft je graag vier schapen van zijn kudde, als je Cornelia beter maakt, en ik geef er twee, o dokter, ga toch mee.

Zoo zegt dokter, wou jij me twee schapen geven, mijn jongen, ik heb zooveel niet noodig, ik zou graag met je meegaan, als het mogelijk was, maar hoe kom ik door dien storm en regen. Kon ik er nog met een rijtuig heengaan, dan was het wat anders. Maar is het met Cornelia dan zoo erg?

Ja dokter heel erg; ze is doodziek.

Is ze al lang zoo ziek?

Huib vertelt nu alles, wat hij ervan weet; niets verzwijgt hij en de oude dokter begrijpt wel zooveel, dat Cornelia op het oogenblik zware koorts heeft. Hij ziet er het onmogelijke van in, door den storm en in den donker mee te gaan, maar hoopt zooveel te vernemen, dat hij Huib een drank kan meegeven, om dan tegen den morgen even te paard naar de hut te rijden; hij zal zich door Huib laten inlichten, welken weg hij gaan moet. Kom maar even met mij mee, mijn jongen, en juist zullen ze de apotheek binnengaan, die aan de dorpsstraat grenst, als de straatdeur wordt geopend. Huib wordt bleek van schrik. Hij dringt dicht tegen den muur en staart den binnenkomende met wijdgeopende oogen aan.

Groote God, daar heb je hem, den vreemde, dien hij bij Cornelia zag. Ja, hij is het. Huib zou er zijn hoofd onder durven verwedden: die lange zwarte haren, die hoed met breeden rand, die puntige snor en korte baard.

Sluiten