Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De toortsen worden uitgebluscht en een prachtig morgenrood verlicht den horizont. Het orkest speelt de finale!

„Kom, Jo, willen we nu ook eens opstappen?"

Die woorden wekken me uit de verdooving waarin ik verkeer.

Ik zie om me heen, de meeste menschen zijn reeds heen, onze loge is ook al leeg.

Ik voel dat Karei me mijn mantel omhangt en mijn hoed opzet. Mies staat op ons te wachten.

„Voorzichtig op de trap, kindje!" hoor ik Karei zeggen. Hij neemt mijn arm en legt dien in den zijnen. Op straat gekomen, blijft hij mij vasthouden, en als wij ons huis hebben bereikt, dan drukt hij mijn hand en zegt:

„Wel te rusten, beste, en droom nu maar niet van Tannhauser!" En daarop geeft hij Mies een hand. Zij vraagt of hij niet binnen wil komen, maar hij zegt van neen!

Pa en ma wachten ons op in de huiskamer.

„Wat glinsteren je oogen, Jo! Je hebt toch geen koorts?" zegt ma.

„'t Kind was den geheelen avond zoo bespottelijk opgewonden," vertelt Mies.

„Ga maar gauw slapen!" O, hoe dankbaar was ik' pa, voor het uitspreken van die woorden!

Ik zeide goeden nacht en toen ik boven was gekomen, viel ik neer op een stoel en begon hartstochtelijk te schreien.

Ik voelde me diep rampzalig en toch hoogst gelukkig!

Sluiten