Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een groet te vermijden, als de administrateur voorbijkwam, met bijzondere aandacht de lucht, en de straatjongens jouwden hem na.

Het vervulde zijn hart met bitterheid; er ging een masker over dat anders zoo zonnig gelaat. Zijn pad werd somber en eenzaam; de oude trots kwam boven in zijn ziel, en hij klemde de sterke tanden op elkaar, dat ze knarsten.

Er waren eenige weken verloopen. Op den harden vorst was een sterke dooi gevolgd; er hadden zich ijsdammen gevormd, die het water hoog hadden opgestuwd, en de dijk stond maar perykel bij het dorp. Onafgebroken, twee-en-twintig volle uren, had een sterke wind uit het zuidwesten er de schuimende golven tegen aan gebeukt. Groote brokken gronds waren er afgeslagen; op sommige plaatsen was de kruin tot het eerste wagenspoor afgebrokkeld. De dijkwacht was dag en nacht op haar post; men had reeds kistingen aangebracht, en den dijk aan den binnenkant door gevlochten rijswerk, aangevuld met steen en gruis, verzwaard.

Niemand maakte zich in deze zorgelijke dagen verdienstelijker dan de jonge administrateur. Hij scheen wel een ander man geworden te zijn; men kende hem niet meer. Het stugge masker was verdwenen. Wel toonde hij niet het zonnig gelaat van vroeger, en was dat gelaat in die weinige weken jaren ouder geworden, maar in den ernst, die uit zijn blauwe oogen straalde, lag geen stroefheid, en de trots, waarmee hij zich tegen

Sluiten