Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dragen — het moest hem terugbrengen ook! Die golven zongen een lied vol schrikwekkende majesteit, en zij bespiedde ze met den angstigen blik van een hart, dat zijn liefste zoekt.

Daar, in de verte, doemden ze op: kleine, nietige stippen. Licht was onder die stippen zijn vaartuig. Zij keek scherper; zij trachtte door de duisternis, die slechts half getemperd werd door het maanlicht, heen te dringen met haar blik.

De stippen werden grooter, doch waren het wel vaartuigen'? Ze duikelden over elkander heen, en de golven wierpen ze elkander toe in razende woede.

Stil maar, Geertrui — heb nog maar een oogenblik geduld!

Want ze naderen.... ze naderen.... die donkere voorwerpen!

Daar komen ze aandrijven ....

Losgewield door den vreeselijken stroom, losgerukt uit den schoot der aarde als onrijpe vruchten vóór den grooten dag der opstanding, komen ze aandrijven, de dooden in hun enge kamerkens! Ze worden door den orkaan tegen den dijk gesmakt, tegen een steenen borstwering, tegen een vooruitstekend muurwerk, en door het vreeselijk stooten splijten en breken de halfvergane doodskisten, en zie toch, Geertrui zie toch ....

Maar het arme meisje sluit de oogen, want er zijn op deze aarde vreeselijkheden, die wij niet kunnen zien, zonder gevaar te loopen krankzinnig te worden. Zij vreest werkelijk, krankzinnig te worden. Zij drukt de handen tegen de kloppende slapen, en met afgewend gelaat zet zij zich op een hardsteenen mijlpaal neder.

Sluiten