Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kamer aan kant maken voordat ze gaan kon. Toen dit was gedaan, klommen ze de trap op. Zusje en Herman voorop. Daarna Wiesje en eindelijk moeder zelf. De kleinsten hielden zich met de handjes aan de treden vast; Wiesje, ouder, liet de hand langs de leuning gaan, een beetje bang over de twee kamers, die ze zouden moeten passeeren. Daar woonde het spook, daar huilde Loo eiken avond.... Op het portaal,—ja, daar hoorde ze den kleine weer huilen .... Maar 't klonk van boven, van de kamers waar Loo's moeder woonde.... Zou Loo terug zijn bij zijn moeder .... of zou het spook ... . Wiesje wilde niet verder gaan, ze keerde zich om op de trap en bevend riep ze: „Nee, ik wil naar beneden, naar beneden!" Van de kamers boven, waarvan de deur openstond, had de viool geklonken; maar opeens hield het op. Wiesje bleef huilen en eerst na veel vermanen van moeder, besloot ze naar boven te gaan. De andere kinderen, Zusje, Hemmie waren er al: ze stonden, een beetje verlegen, aan de deur te kijken naar een vreemden man, die midden in de kamers op een stoel zat, met Marietje op zijn knie. Naast haar stond een kistje, een zwart kistje.

Wiesje begon weer te huilen en wilde naar beneden loopen; maar moeder pakte haar beet en met een „kom mal kind" duwde ze haar de kamer in. Allen kregen een stoel en koekjes. Marietje was al heel vertrouwd met den vreemden man, ze zat op zijn knie en met haar handje greep ze hem nu en dan lachend in den baard. Wiesje durfde niets zeggen. Ze keek naar den man en het kistje: zou daar kleine Loo in gelegen hebben?

Maar nadat de koekjes opgegeten waren, zei de vreemde man:

Sluiten