Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als 't roze wolkje tussen andre, lichte,

Zij met haar blanke kindertjes, elk aan Een hand; zo daalde zij en 't sparrebos Versierde zich met kaarsjes bij haar komst. Het mos werd voller, bloempjes kiemden daar: 'En voorjaarsazem geurde er over 't ven.

Daar staat 'en hutje, Gunlod woont daar noch, Hier, Bragi's, moeder» — Wodan klopte hem Troostend op de gebogen schouder, maar De zoon bleef staren met z'n traanloos oog. — »Zij was 'en oude vrouw geworden, ziek En eenzaam lag zij daar in 't stille woud,

Waar raafgekras de vogelzang verdreef,

Waar Winter streng gewoed had, menig plant, Veel diertjes sterven deed. Ook haar was dood Gewikt, ziek werd haar borst, maar nee, dat kon Idoena niet verdragen toen ik 't zei.

Zij zou haar redden met haar eeuwge jeugd En zweefde heen en ... . komt niet weer terug.« Wee, wee ons, Goden! klonk het luid, En snikkend: wee ook ons, Godinnen, wee 1 Donar bromde in z'n ruige baard: «Vervloekt! Nu is het leven weg uit onze hal:

Geen zangen meer maar weegeklaag, geween En zuchten! Wie, wie stal haar, Wodan ? Spreek! Fors klonk het boven het gejammer uit. —

Sluiten