Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gezongen had, maar eer bekoring week

Zei Bragi: »'k Moet nu noch wat tokkelen

Zo voor me zelf; na strijden heb ik drang

Tot snarenspel. Luister, wie luistren wil l«

En Ava voelde wat hij zeggen wou :

Z'n weemoed was de grondtoon, maar zo blij

Klonk z'n verleden in het vennewoud

Er door, z'n kinderliefde, en opgewonden

Was soms de toon, als hij aan grapjes dacht,

Die Ava wist; daar gleed die jonkheid weer

Voorbij haar oog en mijmrend zag zij ook

Haar eigen jonkheid, 't spelen door het bos

Of in de wei met Bernlef; anders werd

Hij voor haar ogen, vriendliker z'n beeld.

't Was of 'en zon opging in haar en 't zilver

Van 't maantje van z'n glans beroofde; zo

Weigerde Ava Bernlef niet de kus

Als vroeger vaak bij 't scheiden, warmte kwam

Er in haar groet, al kuste ze niet weer noch,

Maar lang noch ruiste Bragi's lied in haar,

Z'n fluisterwoord ook: »Soort bij soort« en rustig

Lag zij te staren in de duisternis.

Sluiten