Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En alles, wat hem eens zo dierbaar was,

Die Goden, welbekend, ze zweefden voor

Z'n ogen langs, maar 't was of één met woest

Gedreig hun volgen kwam, want allen keken

Gedurig om; het drukte 'm als 'en zware zorg.

Daar kwam hij aan; 'en man die angstig groeide;

Geweldig stapte Wodan daar, z'n oog

Stond fel, z'n baard woei splitsend uit, en in

Z'n handen droeg hij 'n spitse dolk; hij was

Nabij nu, angstig staarde Bernlef; stil,

Stijf lag hij: Wodan boog zich over hem

Weer voelde hij de vreselikste pijn

En miste de ogen; 't flijmde 'm door z'n lichaam

En klam van zweet zat de oudé overeind

Op 't strobed. Hij bedacht zich lang, hoorde

Weer kleine Bernlefs nijdig woord en viel

Glimlachend in wat kalmer sluimering;

Hij zag 't gehoorde van 't geluk-rondom

En hoorde weer die kinderlach weerklinken

En toen hij goed sliep, zag hij Bragi voor

Z'n ogen staan, de breedrand-hoed op 't blond

Langlokkig hoofd, en hoor: er klonk muziek

Van 't snaartuig. Anders dan te voren was

De toon, veel plechtiger en met die klank

Groeide majestueuzer zijn gestalte.

Wel ernstig stond z'n oog, als zag hij droef

Sluiten