Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die niet vertelde en niets meeleefde meer,

Werktuiglik at en dronk en slapen ging;

Naar Bernlef's babblen luisterde — maar schijnbaar

Verward in 't antwoord was hij vaak en vreemd

Zag 't kleine ventje, dat iets ernstigs kreeg

In 't jong gezichtje, tot z'n Grootpa op,

Maar niets, niets zeiden de aaklig holle oogkassen

En .... lente lokte 't kind naar 't ruime veld,

Waar madeliefjes blikten uit het gras,

Waar leeuwriken hun luid gejubel zongen

En, als viooltjes wit en donker, kievieten

Boven hun nesten tuimelden ; waar kans

Was om hun eiers op te sporen en

Weer roem te krijgen onder z'n kornuiten,

Roem in 't vèr-springen over sloten, roem

In 't vinden van de nesten; snel vergeten

Was dan de vreemdheid van z'n Grootpa.

Zo

Gleden de dagen voort en Donar gaf — Zo meenden velen — vruchtbaarheid aan 't land. De grote kudde schapen graasde in 't weiland Met dikke wintervacht noch, 't vee was binnen. Toen kwam de lange Leffert eens bij hun En zei: ze moesten meegaan, morgen kwam Daarginds in 't bos 'en preker van 't geloof, Dat overal als 't mooiste werd geprezen.

Sluiten