Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mist naar voren; rilling van geluk Schokte in de grijsaard: daar was 't ideaal,

Zijn God, zijn Vrouwe, dierbaarder dan Wodan! Zij sprak: »Waar Bragi niet geëerd wordt, 't lied Met hoongeschreeuw begroet, is daar noch plaats Voor 't hoogste; wat zal dan de toekomst zijn? En hoe de levenstrijd gestreden worden ?

O Vader, zeg ons wat de toekomst brengt!« — En hij: »Als onrecht Goden uit Walhalla Verdrijft en Wodan's macht de moordenaar Niet straft, die schendt de broederliefde en 't recht Dat Donar spreekt, wie twijfelt dan niet, Vader? De twijfel waart hier in deez' mist al rond ! O spreek een woord: laat het weer zonnig worden!« »Niet mij is 't straffen, Bragi; 'k durf niet zeggen, Idoena, wat de toekomst wezen zal:

Te zwaar te dragen dunkt het me; de hand Van 't Noodlot ben ik en het Noodlot zwijgt En geeft mij geen bevelen: mist is 't alles,

Maar, wat de toekomst zijn zal voor Walhal, Wie hier van de aarde God werd, keert terug En blijft verheerlikt over de aarde zweven,

Omdat hij in het Godsrijk is geweest!« — Het klonk zo kalm hun toe, maar luid geschrei En dreunend vloeken galmde er over heen. —

Toen sloot de mist zich om het ganse beeld,

Sluiten