Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eén plank van het bovenste paar oude schutplanken n wordt nu uitgenomen en het gesteente in het midden weggegraven totdat genoeg ruimte is verkregen om een schutplank h in schuine richting aan te brengen, die achter den stijl van het voorgaande raamwerk rust (fig. 98 d). Ditzelfde geschiedt dan met betrekking tot de andere plank van het bovenste paar en zoo gaat men langzaam en voorzichtig verder totdat een driehoekig-prismatische ruimte is weggenomen, waarin een voorloopige middenstijl b tegen den kap w wordt geplaatst. Eerst dan wordt een der beide hulpstijlen r weggenomen en onder gelijktijdig inslaan der wandpaaltjes u de eene helft van het galerijsluk en daarna op dezelfde wijze de andere helft verder afgewerkt lot de in den aanvang dezer § geschetste toestand weer is ingetreden.

Ongeveer hetzelfde principe wordt gevolgd als een galerij gedreven moet worden door zand of grind, maar de moeilijkheden worden daarbij nog grooter en men moet dikwijls al naar omstandigheden wijzigingen aanbrengen. Wij zullen daarom van een verdere beschrijving afzien.

§ 95. GESLOTEN BETIMMERING. Behalve de bovenbeschrevene zoogenoemde raambelimmering wordt ook wel een van planken aangewend (gesloten betimmering), voor het geval een of meer der galerijwanden door de vochtigheid neiging heeft op te blazen, en het dus zaak is het vocht zooveel mogelijk tegen te houden.

De planken, of naar omstandigheden bekapt rondhout, worden dan koud op elkaar gezet of beter nog met messing en groef voorzien. Ook aan deze planken wanden wordt van tijd tot tijd door stijlen of kappen meerdere stevigheid en weerstandsvermogen gegeven.

Moeten twee stijlen in de lengte aan elkaar verbonden worden, wat echter zooveel doenlijk moet worden vermeden, zoo neme men daarvoor de liplasch met rechte borsten (fig. 89) of de staande lasch met tanden (fig. 88), welke beide verbindingen door moerbouten worden versterkt of ook wel door stevige banden aan elkaar worden gehouden.

h. Verzekering in steen ol' ijzer.

§ 96. WANNEER DEZE GEBRUIKT WORDT. Zooals reeds in § 91 gezegd is wordt in het algemeen het bekappen en in elkaar zetten der gewone betimmering in de mijn zelf, en niet zelden door de gewone mijnwerkers verricht en is vlugheid daarbij dikwijls een eerste vereischte.

Voor de galerijen die slechts korten tijd behoeven open te blijven (de

Sluiten