Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. HET VERVOER LANGS HELLENDE BANEN.

1. Langs hellende galerijen in engeren zin.

§ MOS. De hellende galerijen kunnen gedreven zijn in de hellingsrichling der afzetting of in een diagonale richting; het laatste komt alleen voor waar de laaghelling 10 graden niet overtreft en 4 a 5 graden te boven gaat. Men vindt ze gewoonlijk slechts bij ontginningsmethoden zonder of met geringe voorbereiding, waar zij dan dienen ter bekorting van het vervoer in de werkgalerijen, en ook wel bij de methode met breed front, indien met de barsten in de kool rekening gehouden wordt, en deze in een diagonale richting loopen.

Voor zoover het vervoer alleen door menschen en in wagens plaats heeft verschilt het niet van dat in de werkgalerijen; grooter dan 4 a 5 graden maakt men de helling liefst niet. In den regel duwt de werkman den vollen wagen niet vóór zich uit, maar tracht integendeel de snelheid er van te verminderen door den wagen, er vóór loopende, met handen en rug tegen te houden. Hij plaatst den voet telkens tegen de dwarsliggers om niet op den meest vrij gladden vloer uit te glijden.

Ook de gewone hellende galerijen worden dikwijls onderaan in eenigszins diagonale richting gedreven, ten einde een beteren overgang te verkrijgen naar de baan in de grondgalerij. Men vindt ze zoowel bij pijlerbouw als bij de methode met breed front indien met hellende afbouwstrooken wordt gewerkt.

3. Langs remvlakken.

§ 106. BEPALING VAN IIEMVLAK; PRINCIPE VAN HET VERVOER DAAROP. Waar de vlakke hoogte eener étage zeer groot is of met strijkende strooken wordt afgebouwd, zoodat een verder vervoer uit de werkgalerijen naar de grondgalerij over hellende galerijen moet plaats hebben, worden deze, indien de helling niet al te gering is, in den regel als remvlakken ingericht. Men is echter verplicht hiertoe over te gaan, zoodra de helling der afzetting 10 a 15 graden te boven gaat.

Een remvlak is een hellende galerij, waarop de volle wagens door hun eigen gewicht naar beneden gaan; zij zijn met een touw, kabel of ketting bevestigd aan een soort van lier of aan een ander werktuig, waarvan de beweging door een remtoestel wordt geregeld.

Om de ledige wagens weer naar boven te krijgen zou men ze door datzelfde werktuig kunnen ophalen; daar dit echter veel te langzaam zou geschieden slaat men andere wegen in die later (§ 109, 110) ter sprake

Sluiten