Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klinkboutjes. Zulke kabels zijn zeer stram; om er eenigszins aan te gemoet te komen wordt als regel ijzerdraad en geen staaldraad voor de vervaardiging gebezigd.

Daar zij echter bij dezelfde vastheid een veel grooter gewicht bezitten dan ronde kabels worden zij betrekkelijk zelden toegepast, en neemt men voor het geval men platte kabels wil gebruiken liever zulke van aloë.

Alle kabels moeten vóór het gebruik goed geteerd worden (zie § 195); het gewicht van aloëkabels is ongeveer 6 KG. per strekkenden Meter, waarbij een last van ± 5000 KG. met inbegrip van het eigen gewicht kan worden gedragen. Voor diepe putten kunnen zij dus niet worden toegepast.

§ J92. RONDE OPVOERKABELS. Deze kabels worden altijd van metaaldraad vervaardigd, en omgekeerd worden de metaalkabels in den regel rond gemaakt, omdat zij dan een mindere stramheid bezitten.

De kabels ontstaan door het vlechten van dunne draden tot strengen en deze tot kabels; soms worden eenige dunne strengen eerst nog tol een dikkere vereenigd: men zegt dan dat de kabel driemaal gedraaid is.

Het vlechten geeft in de eerste plaats meerdere zekerheid door de wrijving der draden onderling, en ten andere wordt bij het breken van een draad het geheel minder verzwakt dan wanneer men alle draden evenwijdig aan elkaar liet loopen.

Om het draaien van den kabel om zijn lengteas (het krinkelen) tegen te gaan worden de draden in de strengen gevlochten in een richting tegengesteld aan die volgens welke het ineenvlechten van de strengen tot een kabel plaats heeft.

Het aantal draden waaruit een kabel bestaat is zeer uiteenloopend en varieert van 12 tot 300. Voor putten van gemiddelde diepte rekent men minstens 36 draden (6 X 6). Alle strengen moeten evenveel draden bezitten omdat de kabeldoorsnede voor het gemakkelijke opwinden zooveel mogelijk tot een cirkel moet naderen; om o. a. dezelfde reden dient de geheele kabel den vorm van een cilinder te verkrijgen.

Bij het vlechten van meer dan 4 draden in elkaar kan men ze niet meer goed aaneengesloten maken en moet in het midden een zoogenoemde ziel worden ingevlochten; ditzelfde geschiedt bij het verbinden der strengen tot een kabel. De ziel bestaat voor opvoerkabels uit hennip, en heeft nog bet voordeel dat de draden elkaar niet wederkeerig afwrijven en dus verzwakt worden, en dat het platdrukken van den kabel bij het opwinden wordt vermeden; daarenboven verkrijgt de kabel een grootere mate van buigzaamheid.

Sluiten