Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7. Mijn vader. Hier verwekt God eene nieuwe kwelling, om Abrahams gemoed, dat reeds door vele wonden was gekwetst, al meer en meer te folteren. Want het is niet twijfelachtig, of God heeft Izaaks tong met opzet niet alleen geneigd tot die vleiende benaming, maar ook tot ondervraging geleid, opdat er niets meer zou ontbreken aan de hoogste mate van smart. Ook dezen aanval staat de heilige man met een onbewogen gemoed door, en zoozeer blijft hij volharden in de voorgestelden loopbaan, dat hij toont geheel aan God verbonden te zijn, en niets te willen toelaten, dat zijn vertrouwen zou kunnen schokken of zijne gehoorzaamheid verhinderen. Nu is het de moeite waard om op te merken, hoe hij dien knoop, dien niet los te maken scheen, ontwart; hij vlucht n.1. in de schuilplaats der Goddelijke voorzienigheid in de gedachte: „God zal zich voorzien". Dit voorbeeld wordt ons ter navolging voor oogen gesteld. Zoo dikwijls de Heere het een of ander voorschrijft, komen er plotseling vele dingen opdagen, die ons aan het wankelen brengen; de middelen ontbreken ons, van overleg zijn wij verstoken, alle uitwegen schijnen voor ons gesloten te zijn. In zulke engten is het eenige middel, om niet te gaan wanhopen, dat wij den afloop aan God overlaten, dat Hij door de woestenij een weg zal banen. Want evenals wij God onrecht aandoen, als wij niets van Hem verwachten, dan wat ons verstand kan bevatten, zoo krijgt Hij ook van ons geene geringe eer, als wij in verwarde zaken toch in Zijne voorzienigheid berusten.

8. En zij gingen samen voort. Hieruit kan men zoowel Abrahams standvastigheid als de bescheidenheid zijns zoons opmerken. Want door die hinderpaal is Abraham niet toegefelijker geworden, en zijn zoon dringt niet bij hem aan, om zijns vaders antwoord te weerleggen. Immers, het lag voor de hand de tegenwerping te maken: „Waartoe hebben wij dan het hout en het mes meegebracht, en niet een dier, als God heeft bevolen, dat Hem eene offerande moet worden gebracht ?" Maar omdat hij bedenkt, dat om de een of andere reden, en niet door het vergeten zijns vaders het offerdier is weggelaten, blijft hij rustig en stil.

9. En zij kwamen aan de plaats. Veel gaat Mozes met opzet voorbij, dat de lezers toch hebben te overwegen. Als hij melding maakt van het oprichten des altaars, voegt hij er

Sluiten