Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaligheid in zich bevat, volgt daaruit, dat het eeuwige leven naar de werken vergolden wordt. De Roomschen nu grijpen deze plaats en dergelijke gretig aan, om te bewijzen, dat de werken de verdienende oorzaak zijn van al het goede, dat ons God schenkt. Doch ik keer dit instrument op de meest geschikte wijze tegen hen. Immers als de belofte, die nu aan de verdienste wordt toegeschreven, vroeger uit vrije genade was, staat het vast, dat men uit genade moet ontvangen, al wat God ons voor de werken betaalt. Tenminste voordat Izaak was geboren, stond deze zelfde belofte reeds vast, en hij ontvangt thans niets anders dan eene bevestiging. Als Abraham met zijne deugd te voren zulk eene groote vergoeding had verdiend, zou Gods voorkomende genade vruchteloos zijn. Opdat dus Gods waarheid, gegrond op zijne vrije goedheid, vast sta, moet noodzakelijk worden aangenomen, dat, hetgeen vrijwillig wordt geschonken, loon der werken wordt genoemd. Niet om den lof Zijner goedheid te verdonkeren, of ook maar eenigszins te verminderen, maar slechts om de Zijnen te prikkelen tot recht handelen, als zij verstaan, dat hunne diensten Hem zoozeer behagen, dat Hij ze ook met loon verwaardigt. Niet dat Hij iets als verschuldigd afbetaalt, maar Hij legt op Zijne weldaden den naam van verdienste. En daarin is niet de minste verwarring. Immers dubbel mild toont zich de Heere, als Hij, ons willende prikkelen tot een vroom leven, op onze werken datgene overdraagt, wat enkel aan goedheid te danken is. Verkeerdelijk verdraaien dus de Roomschen die welwillende lokmiddelen van God, waarmee Hij onze traagheid wil verhelpen, tot het tegenovergestelde einde, dat de mensch aan zijne verdiensten zou mogen toeschrijven, wat enkel een geschenk is van Goddelijke vrijgevigheid.

17. Uw zaad zal de poorten zijner vijanden erfelijk bezitten. Dit beteekent, dat Abrahams zaad overwinnaar zou wezen op zijne vijanden. Want in de poorten waren de bolwerken, en daarin werd de rechtspraak uitgeoefend. Schoon nu God dikwerf de vijanden heeft toegelaten om tyranniek over de Joden te heerschen, heeft Hij toch zoo hunne straffen gematigd, dat ten slotte deze belofte de overhand behield. Voorts houde men in het oog, wat ik vroeger over de eenheid van het zaad uit Paulus woorden heb betoogd. Want daaruit besluiten wij, dat niet aan alle zonen van Abraham, zonder onderscheid, maar

Sluiten