Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den berichten, dat Abraham de auteur daarvan geweest is, omdat volgens hun oordeel deze plechtigheid dezelfde beteekenis heeft, alsof de knecht bij de heiligheid van het Goddelijk Verbond heeft gezworen, omdat in dat deel des lichaams de besnijdenis was. Maar de Christelijke schrijvers oordeelen, dat de hand onder de heup is gelegd, als een eerbewijs aan het geheiligde zaad. Toch kan het zijn, dat die eerste vaderen anders hebben geoordeeld. Ook zijn er onder de Joden, die verzekeren dat dit een teeken van onderwerping geweest is, daar de knecht zwoer op de heup des heeren. Dit is wel het meest aannemelijke, dat op die manier de ouden bij Christus hebben gezworen, doch omdat ik niet gaarne meedoe aan onzekere gissingen, laat ik de zaak in het midden. Toch schijnt mij dit laatste het eenvoudigste toe, omdat knechten, als zij zweren trouw te zullen zijn aan hunnen heer, gewoon waren door deze plechtigheid hunne onderwerping te betuigen, te meer wijl men zegt, dat in enkele streken van het oosten deze gewoonte nog behouden is gebleven. Dat het geen goddeloos gebruik is geweest, dat iets afdeed van de eere Gods, besluiten wij daaruit, dat de naam Gods er bij wordt aangeroepen. Wel brengt de knecht zijne hand bij Abrahams heup, doch hij bezweert den knecht bij God den Schepper des hemels en der aarde.

En dit is de heilige stelregel van het eedzweren, dat God als Getuige en Rechter wordt aangeroepen, en deze eer kan niet op een ander worden overgedragen zonder God daarmede te smaden. Voorts leeren wij uit Abrahams voorbeeld, dat zij niet zondigen, die het eedzweren eischen om eene wettige reden. Want dit wordt niet verhaald onder de gebreken van Abraham, maar tot zijnen hoogsten lof. Dat het eene zaak van den hoogsten ernst geweest is, heb ik vroeger aangetoond, opdat n. 1. Gods verbond onder de nakomelingen vast zou blijven staan. Daarin toch, dat hij door het aanwenden van een eed zoo zorgvol op zijn hoede was, werd hij door rechtmatige redenen geleid. Zonder twijfel blonk deze trek of liever die deugd uit in Izaak, dat hij behalve rijkdom overvloed bezat van gaven naar lichaam en naar ziel, zoodat velen begeerig zijne verwantschap zochten. De vader is dus bang, dat na zijn dood de inwoners des lands, hem met hunne vleierijen zouden overreden. Opdat hij nu krachtig weerstand zou kunnen bieden aan de vleierijen, welker strikken maar weinige jonge-

Sluiten