Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg gelegenheid biedt. Waarschijnlijk is het, dat dit eene plaats geweest is, vanwaar Thamar kon gezien worden, en waar een schuilhoek nabij was, waarheen Juda zich kon wenden, om niet op den openbaren en drukbezochten weg voor aller oog ontucht te plegen. Uit het gezegde, dat zij haar gelaat had bedekt, besluiten wij, dat destijds de ontucht niet zoo onbeteugeld en vrij is geweest, als tegenwoordig op vele plaatsen. Immers zij stelt zich aan naar de gewoonte der hoeren, opdat Juda geene achterdocht zou krijgen.

Ook wilde de Heere, dat dit schaamtegevoel in de harten van hen, die slecht leven zou ingegrift blijven, opdat zij zelf getuigenis zouden afleggen van hunne schande. Want wij weten dat als men de vlekken zijner zonden kon uitwisschen, de menschen niets liever zouden doen. Daaruit volgt, dat als zij het daglicht ontvlieden, zij tegen hun zin met schrik vervuld worden, zoodat hun geweten Gods oordeel reeds vooruitloopt. Wel is langzamerhand het meerendeel gevoelloos en onbeschaamd geworden, zoodat zij hunne slechtigheden minder zorgvuldig bedekken. Toch heeft God nooit door hunne dierlijke onmatigheid, waardoor zij ongestraft willen zondigen, het natuurlijk gevoel geheel laten te loor gaan, zoodat zelfs de allerslechtsten door hunne laagheid tot schaamte worden gedrongen. Laag was dus de onbeschaamdheid van dien cynischea wijsgeer, die op ontucht betrapt, zonder schaamte zich beroemde, dat hij een mensch plantte. Kortom I hamars bedekking toont, dat de hoererij niet alleen voor God en de Engelen eene schandelijke en ge-

meene zaak is, maar ook door de bedrijvers zelf altoos is veroordeeld.

lö. En Juda zag haar. Het is eene groote schande van Juda, dat hij plotseling gemeenschap zoekt met eene onbekende vrouw. Hij was reeds oud, en daarom moest zelfs in een lichtzinnig mensch, de leeftijd alleen reeds de onmatige aandrift beteugelen. Hij ziet de vrouw van verre, door schoonheid van gedaante kan hij dus niet verlokt zijn; de lust ontsteekt in hem gelijk een hengst hinnikt zoodra hij merries ruikt. Hieruit besluiten wij, dat in zijn hart noch de vreeze Gods, noch de begeerte om zuiver en eerlijk te leven sterk is geweest, daar hij zoo begeerig de toevlucht neemt tot hoererij. Daarom wordt hij ons tot een voorheeft gesteld, opdat wij zouden leeren, hoe licht de vleescnelijke lust buiten de perken gaat, zoo de Heere

Sluiten