Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35. En laten zij den ganschen voorraad van dez<i goede jaren, die komen zullen, inzamelen, het koren onder de hand van Pharao, de spijze in de steden, en laten zij het bewaren.

36 En er zal spijze in bewaring zijn voor het land, voor de zeven jaren des hongers, die zullen komen in het land van Egypte; aldus zal het land niet vergaan vanwege den hongersnood.

37. En dit woord was goed in de oogen van Pharao, en in de oogen van al zijne knechten.

38. En Pharao zeide tot zijne knechten : Zullen wij wel zulk eenen man vinden, in wien de Geest Gods is?

39. Derhalve zeide Pharao tot Jozef : Nu God u dit alles deed weten, is er niemand zoo verstandig en wijs als gij.

40. Gij zult zijn over mijn geheele huis, en op uw bevel zal al mijn volk u kussen, slechts dezen troon zal ik grooter zijn dan gij.

41. Derhalve zeide Pharao tot Jozef: Zie ik heb u gesteld over het geheele land van Egypte.

42. En Pharao nam zijnen ring van zijne hand, en deed hem aan Jozefs hand, en deed hem fijne linnen kleederen aantrekken, en deed een gouden keten om zijnen hals.

43. En hij deed hem rijden op den tweeden wagen dien hij had, en zij riepen voor hem uit: „Abrech" d. i. jeugdige vader. En hij stelde hem over het geheele land van Egypte.

44. Derhalve zeide Pharao tot Jozef: Ik ben Pharao, en zonder u zal niemand zijne hand opheffen en zijnen voet in het gansche land van Egypte.

45. En Pharao noemde Jozefs naam Saphenath-Paneah d. i. de man wien verborgene dingen zijn geopenbaard, of verklaarder van verborgenheden, en hij gaf hem Asenath, de dochter van Poti-pherah, den overste van On, ter vrouw, en Jozef toog door het land van Egypte.

46. Jozef nu was een man van dertig jaren toen hij stond voor Pharao, den koning van Egypte, en Jozef ging uit van Pharaos aangezicht en toog door het geheele land van Egypte.

47. En het land bracht in de zeven jaren des overvloeds bij hoopen voort.

II 21

Sluiten