Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, met eene bijzondere gunst had bevoorrecht. Daardoor kwam het, dat hunne akkers onaangeroerd bleven. Toch hebben de oude geschiedschrijvers aangaande den toestand van dat land vele dingen zonder oordeel verzonnen. Ik weet echter niet, of hetgeen zij vertellen, dat de boeren met een klein loon tevreden zijn en zaaien en maaien voor den koning en de priesters, voortgevloeid is uit dezen maatregel van Jozef. Doch dit terzijde gelaten, het is van veel meer belang om op te merken, dat Mozes uitdrukkelijk wilde verklaren, dat een heidensch koning nog wel, eene bijzondere zorg voor den godsdienst heeft gehad, wijl hij om niet dè priesters onderhield, zoodat hij hunne akkers en vermogen spaarde. Hierin wordt ons een spiegel voor oogen gehouden, waarin wij kunnen zien, dat het godsdienstig besef den menschen is ingeschapen, en dat men dit niet geheel kan uitwisschen. Dat hij zulke priesters onderhield, die met hunne onbeschaamdheden het volk verblindden, was een bewijs van zijn even slecht als dwaas bijgeloof. Toch was dit besluit op zich zelf beschouwd lofwaardig, dat hij den dienst van God niet liet ondergaan, wat spoedig gebeurd zou zijn, indien de priesters van honger omkwamen.

En daaruit besluiten wij, hoe vlijtig men zich moet wachten, om niet iets te ondernemen met verkeerden ijver. Niets toch is bij zulk een bederf der menschelijke natuur lichter dan dat de godsdienst ontaardt in ijdele beuzelingen. Waar nu deze ondoordachte toewijding (zooals men dat noemt) voortvloeide uit een zuiver beginsel, wat hebben dan onze vorsten te doen, die als Christenen willen beschouwd worden ?

Als Pharao zoo bezorgd was voor zijne priesters, dat hij hen ten koste van zich zeiven en het geheele rijk onderhield om jegens valsche goden niet goddeloos te zijn, hoe groot is dan de heiligschennis van hen, die wettige en goede bedienaars der heilige dingen, van wier werk zij weten, dat het door God wordt goedgekeurd en tot hunne zaligheid dient, veronachtzamen ? Men vraagt, of het den vromen Jozef geoorloofd was, dit ambt op zich te nemen daar hij aldus toch zijne vlijt besteedde tot onderhoud van goddelooze bijgeloovigheden. Wat mij betreft, ik geef gaarne toe, dat in zulk e^n uitgestrekt en zwaar en veelzijdig werk het vallen in onderscheidene fouten voor de hand lag, maar toch durf ik deze daad niet uitdrukkelijk veroordeelen. Toch ontken ik niet, dat

Sluiten