Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn lof toch vergroot door deze omstandigheid, dat li ij te midden van menigvuldige zorgen, waardoor hij bijna ingesloten was, Gods onophoudelijke goedheid verheerlijkt. Want hoewel hij door Gods bijzondere en wonderdadige kracht en op ongewone wijze uit tal van gevaren was gered, zoo was het toch een teeken van de uitnemendheid en de sterkte van zijn gemoed, om zoo vele en zoo zware moeilijkheden te boven te komen, en zich op de vleugelen des geloofs te verheffen tot de beschouwing van Gods goedheid. Zoo ook, dat hij niet deor de menigte van rampen werd overstelpt, waardoor hij diezelfde goedheid Gods in stikdonkere duisternis niet zou hebben kunnen opmerken.

De Engel die mij heeft verlost. Aldus stelt hij den Engel naast God, zoodat hij hem . Gode gelijk maakt. len minste hij bewijst hem Goddelijke eer, door van Hem hetzelfde als van God te vragen. Zoo men dit verstaat van den een of anderen engel, onverschillig welken, is de uitdrukking ongerijmd. Integendeel als hem in de zegening van een zoon de naam en de persoonlijkheid van God wordt toegekend, staat Hij in dit opzicht boven de engelen. En daarom moet men dit noodzakelijk verstaan van Christus, aan Wien niet zonder grond den' titel van Engel wordt toegekend wijl Hij een eeuwig Middelaar is. Ook Paulus getuigt in 1 Cor. 10 vs 4, dat Hij de Engel is geweest, die het oude volk op de reis leidde en aanvoerde. Wel was Hij nog niet gezonden van den vader, zoodat Hij door de aanneming van ons vleesch dicht bij ons kwam.

Maar wijl Hij altijd de band van vereeniging is geweest tusschen God en de menschen, en God zich oudtijds niet anders als door Hem openbaarde, wordt Hij met recht een Engel genoemd. Bovendien was der vaderen geloof steeds gericht op Zijne toekomstige zending. Hij was dus de Engel, omdat Hij reeds toen Zijne stralen uitschoot, zoodat de vromen door den Middelaar tot God naderden. Want altoos is de afstand tusschen God en menschen te ver geweest, dan dat er eenige gemeenschap zou kunnen zijn zonder Middelaar. - Hoewel nu Christus in de gedaante van een Engel verscheen, zoo moet men toch vasthouden, wat de 'apostel tot de Hebreen zegt, hoofdstuk 2 vs. 16, dat Hij niet de natuur der Engelen heeft aangenomen, zoodat Hij een der Engelen werd, gelijk Hij een waarachtig mens<;h geworden is Immers al namen de Engelen menschelijke lichamen a&n, daarorii zijn zij toch nog geen menschen geworden.

Sluiten