Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwoesting der stad. Hij geeft dus thans aan zijnen zoon Jozef niet alleen de plaats zijner tent, die hij voor honderd geldstukken had gekocht, maar ook den akker, die gemeen eigendom was geweest van de Sichemieten. Maar nu moeten wij nagaan, hoe hij kan zeggen, dien met zijn zwaard te hebben verkregen, terwijl toch de inwoners misdadig en wreed door Simeon en Levi waren gedood. Hoe kon dit aan hen volgens het recht van den overwinnaar worden ontnomen, daar de oorlog hun toch onrechtvaardig was verklaard, of terwijl eigenlijk toch zonder oorlog trouweloos tegen hen was gewoed ? Hieronymus neemt de toevlucht tot beeldspraak, dat hij het öf door geld, dat ook wel kracht wordt genoemd, of door rechtvaardigheid heeft verkregen. Anderen meenen dat dit een prolepsis is, zoodat jacob spreekt van eene toekomstige inbezitneming. Al verwerp ik dit niet geheel, toch komt het mij wat gezocht voor. Ik neig veel meer hierheen; ten eerste, dat hij wil verklaren, dat hij niets aan zijne twee zonen Simeon en Levi ontrooft, die hen als roovers hadden aangevallen, en geene wettige overwinnaars waren, en nooit ook maar een voet gronds bemachtigd hadden na het toebrengen van den nederlaag. Want zoo zeker was het, dat hun niets toekwam, dat zij hunnen vader dwongen te vluchten, en er geen ontkomen zou geweest zijn, zoo zij niet door een wonder waren gered. Vervolgens brengt Jacob door hen van een ijdelen titel te berooven, het overwinningsrecht op zichzelven over, alsof dit hem van Godswege was toegestaan. Want hoewel hij van hunne misdaad steeds walgde, en die ook in het volgende hoofdstuk voor afschuwelijk zal verklaren, toch hadden zij, wijl ze zijn geheele huisgezin hadden gewapend, als het ware onder zijn toezicht gestreden. Hoewel hij gaarne had bewerkt, dat de burgers van Sichem behouden waren gebleven, dit kon hij niet gedaan krijgen. Toch beschouwt hij den akker, die door hun dood ledig en verlaten overbleef daarom als de zijne, omdat God ten zijnen behoeve de moordenaars had gespaard.

49ste HOOFDSTUK.

1. Daarna riep Jacob zijne zonen, en zeide: verzamelt u, en ik zal u verkondigen, wat u wedervaren zal in de toekomende dagen.

Sluiten