Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedwingen, dan zich te onderwerpen aan Gods leiding. Als de begeerte naar wraak ons prikkelt, hebben wij dus hierop onze aandacht te vestigen. Dat hij nu zijnen broederen op dezen grond tot bedaardheid en rust aanmaant, dat hij aan God de rechtmatige eere toekent, en zich gaarne onder de gehoorzaamheid aan zijn bevel buigt, daarin ligt voor ons bovendien eene leerschool Dan toch gaat het het best met ons, als wij te doen hebben met bescheidene menschen, die God tot hunnen leidsman stellen, en zijne bevelen zich niet alleen laten welgevallen, maar zelfs gaarne gehoorzamen. Want als iemand zich zonder teugel laat meevoeren door de lust des vleesches, staan van hem duizend dooden te vreezen, tenzij de Heere zijne woede met kracht breekt. Gelijk nu dit het eenige middel is, om den toorn te stillen, dat wij erkennen wie wij zijn, en welk recht aan God over ons toekomt, alzoo is er, wanneer deze gedachte diep bij ons heeft post gevat, geene woede zoo onstuimig, of zij is voldoende om deze te doen bedaren.

20. Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht. Gelijk wij zeiden let Jozef nauwkeurig op de Voorzienigheid Gods, zoodat hij zich niet alleen de wet en de verplichting oplegt, om vergiffenis te schenken, maar ook om weldadigheid te oefenen. Schoon wij nu over dit punt genoegzaam hebben gesproken bij hoofdstuk 45, zoo zal het toch nuttig zijn het een en ander thans nog eens te herhalen. Ten eerste nu is opmerkelijk het verschil in uitdrukking. Want terwijl Jozef daar zijn best deed, om de smart zijner broederen te verzachten en hunne vrees te verminderen, door hunne misdaad met alle ten dienste staande middelen te bedekken, zoo kastijdt hij hen thans een weinig meer open en vrij, misschien omdat hij zich door hunne sluwheid beleedigd acht.

Toch behoudt hij hier hetzelfde grondbeginsel, dat hij door Gods verborgen Raad naar Egypte is afgevoerd, om zijne broederen in het leven te behouden, en dat hij, wilde hij God niet wederstaan, zich daarop moest toeleggen. Het is alsof hij zeide: Daar God uw leven aan mij in bewaring heeft gegeven, zou ik met Hem in oorlog komen, zoo ik niet getrouw over Zijne weldaad beschikte, die Hij mij ter hand heeft gesteld. Wijselijk maakt hij intusschen onderscheid tusschen de verkeerde plannen der menschen en de verwonderlijke gerechtigheid Gods, door het opperste bestuur van alle dingen aan God toe te ken-

Sluiten