Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. „Wel, Tjake," zoo zeide zij, „Tjake,

Ach! en trouwt toch met geen ander vrouw,

Want gij zultere van dage tot dage

Van langs om meer zijn inne den rouw."

5. 't Was schaars twee, drij maanden gelejen ,

Tjake hij trouwde met een ander vrouw:

Hij wassere van dage tot dage

Al langs om meer al inne den rouw.

6. Maar tsnachts ontrent twaalf uren Het kleinste kind die kreesch;

Ze heeft het een kaaksmete gegeven:

Het kreesch er van langs om meer.

7. Ze heeft den oudsten zoon geropen:

„Komt en paait er jen kleinen broer!"

— „Dodo, Sisse-Jantje, mijn broertje,

't En is ons eerste fraai moedertje niet meer."

8. Maar tsnuchtends al van te vieren Zagen wij de drij kinderen gaan

Naar het graf van hun eerste fraai moedertje:

Daar bleven zij stille staan.

9. Ze lazen daar en ze baden,

Ze vielen op hunne kniên,

En zij riepen naar God den Vader:

't Was al om huider eerste fraai moedertje te zien.

VAR.: 4, 1. „En wel, Tjake, als ik kome te sterven, — 2. met] nooit — 3-4. Want je zou der hen van dage tot dage Van langs om kwader eene vrouw."

5, 1. Maar als Tjannetje kwammer te sterven,

3-4. En hij haddere van dage tot dage Van langs om kwader eene vrouw.

6, 1. twaalf uren] den twaalven — 2. Het kleinste] En het kleine —

7, 1. den] haar — geropen] opgeropen — 2. Komt] Loop, gaat — 8, 1. van te vieren] met den dage —

2-3. Is den jongen vroeg opgestaan;

Hij ging naar 't graf van zijn eerste fraai moeder: g, 1. daar] al — 3- riepen] lazen — 4- 't Was al om] Om — moedertje] moeder nog

Sluiten