Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Per H.A. is voor zaaiuien 8—12 KG. zaad noodig. Engeland en Duitschland zijn onze afnemers voor dit gewas. Eerstgenoemd land neemt enorme quantiteiten: n.i. gemiddeld per jaar in 1891—1895 25 470 450 KG. in 1896—1900 41 911350 KG. en in 1901—1905 35 937 750 KG. Dat onze handel in dit belangrijk product achteruit gaat, ligt aan de geringe zorg, die de telers aan de cultuur wijden, en aan de knoeierijen, welke in den handel voorkomen. De beste soorten zijn: ZeeuwscheBruine, Noordhollandsche Stroogele, Rijnsburger Witte, Zwijndrechtsche pootui en Zilveruitjes.

Uier is de naam van de melkklieren van de hoefdieren, inzonderheid van de herkauwers. Het aantal tepels, dat zich aan den uier bevindt, geeft meestal aan, uit hoeveel samengestelde klieren hij bestaat; bij de koe treft men echter 2 klieren en 4 tepels aan. Bij de meeste dieren bevindt zich in eiken tepel een kanaal, waarin kleinere kanalen van de afzonderlijke klieren uitmonden; bij sommige dieren monden deze kleinere kanalen echter dadelijk in den tepel uit. Zie Melkklieren.

Uiguren (Juguren, Iguren, Chuiche) is de naam van een Oud-Turksch volk in O. Turkestan, dat een, reeds in 478 door de Chineezen vermelde, eigen schrijftaal en letterkunde bezat. Het Boeddhisme, het Parsische Zoroaster geloof, evenals het Nestoriaansche Christendom vonden bij hen ingang, waarna zij de Syrische letterteekens overnamen. Oorspronkelijk behoorden zij tot het machtige rijk der Hioengoe, dat na lange oorlogen met de Chineezen in de 2de eeuw v. Chr. het toppunt van zijn bloei bereikte. Spoedig daarop viel het uiteen in een N. lijk en een Z. lijk rijk. Dit laatste werd in het begin der 3de eeuw door Toengoesische stammen vernietigd, waarop de Uiguren naar het W. trokken, waar het machtige rijk der Hunnen ontstond. De N. lijke Uiguren stichtten in de 8ste eeuw tusschen de Selenka en de Jenissei eveneens een groot rijk, dat later door de Kirgiezen verwoest werd. Later smolten de Uiguren samen met de Mongolen, Chineezen, Arabieren en de Mohammedaansche Tataren.

Uil of Uileveer is een fout in eikenhout, die daarin bestaat, dat zich van uit een oest bruine veren of strepen met zwarte of witte spikkels in de richting der vezels verspreiden.

Uilen (Strigidae; zie de plaat) vormen een familie uit de orde der Roofvogels. Het zijn vogels met korten, ineengedrongen lichaamsbouw, buitengewoon grooten, dicht bevederden kop, met korten, stevigen haakvormig gebogen snavel en groote, naar voren gerichte, onbeweeglijke oogen. De pooten zijn middelmatig lang en bevederd, de teenen kort. De buitenste der voorteenen is een keerteen. De klauwen zijn lang sterk gebogen en buitengewoon spits. De bevedering is vol en zacht en meestal donker gekleurd. Zij zijn over de geheele aarde verspreid. Ofschoon de bosschen hun eigenlijk woongebied vormen, komen zij ook in steppen, woestijnen en bij de woonplaats sen van menschen voor. De gevoeligheid van het uilenoog voor het licht schijnt grooter dan zij inderdaad is. Bij helder daglicht kunnen zij door dicht geboomte vliegen, zonder zich te stooten. Dat sommige soorten in het volle daglicht de oogen half sluiten, schijnt aan andere oorzaken te moeten worden toegeschreven. De vreemdsoortig ge-

XV

bouwde vleugels en de zachte veeren maken, dat de uilen op eigenaardige wijze vliegen. De onhoorbare beweging geschiedt betrekkelijk langzaam; zij houdt het midden tusschen zweven, glijden en fladderen. Op den grond zijn de meeste uilen zeer onhandig. De stem is gewoonlijk luid, maar zelden aangenaam. Enkele soorten laten een afschuwelijk gekrijsch hooren; andere brengen schelle geluiden voort. Alle zijn schuw. Zij voeden zich in hoofdzaak met muizen. Hun buit verslinden zij in groote brokken. Zij nestelen in holle boomen, in rotsspleten of gaten van muren en in verlaten nesten van valken en kraaien, Het wijfje legt 2—10 witte, sterk afgeronde eieren; de jongen blijven lang in het nest.

De familie der uilen omvat 3 onderfamilies: de sluieruilen (striginae), de katuilen (syrnünae) en de ooruilen (buboniae). Tot de eerste onderfamilie behoort het geslacht sluieruil (strix), waartoe de kerkuil, torenuil of oranjeuil (strix flammea) behoort. De tweede onderfamilie omvat 4 geslachten: de boschuilen (symium), vertegenwoordigd door den boschuil (syrnium aluco) en den baard- of Laplandschen uil (syrnium lapponicum); de sneeuwuilen (nyctea), bestaande uit den sneeuwuil (nyctea scandiaca) en den sperweruil (nyctea vlula); de steenuilen (carine), waartoe de steenuil (carine [Athene] noctua), de woestijnuil (carine noctua meridionalis) en de dwerguil (carine passerina) behooren, en de h o 1 e nuilen (speotyto), vertegenwoordigd door den koeroeje of konijnuil (speotyto cunicularia) en den prairieuil (steotyto hypogaea). De derde onderfamilie bestaat eveneens uit 4 geslachten: de ooruilen (bubo), waarvan de groote ooruil (bubo ignavus), de bleeke ooruil (bubo turcomanus) en de pharao-ooruil (bubo ascalaphus); de sluierooruilen (asio), vertegenwoordigd in den ransuil (asio otus) en den velduil (asio accipritinus); de dwergooruilen (pisorhina), waartoe de dwergooruil (pisorhina scops) behoort, en de v i s c fauilen (smilonyx), bestaande uit den vischuil (smilonyx ceylonensis) en den ketoepa (smilonyx javanensis).

Van al deze soorten leven en broeden er in ons vaderland vijf.

De kerkuil (Gelderland), torenuil (Groningen) of oranjeuil (Drente) heeft een totale lengte van 32 cm. De bovendeelen zijn op donkergrauwen grond met kleine, zwarte en witte vlekken geteekend. De bovendekveeren der vleugels zijn donker, aschkleurig met lichte spikkels; de slagpennen zijn roestkleurig, op de binnenvlag witachtig met 3 of meer donkere dwarsbanden. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de washuid roodachtig wit en de pooten, voor zoover naakt, van vuil blauwachtig grijs. Kerktorens, kasteelen en oude gebouwen vormen zijn geliefkoosde verblijfplaats. Hij voedt zich met muizen, ratten, mollen enz. Hij broedt in den regel in het vroege voorjaar.

De boschuil wordt hier te lande slechts in kleinen getale aangetroffen; het meest nog in de bosschen van Gelderland, evenals bij Oldeberkoop in Friesland. Hij is hier standvogeL Hij voedt zich voornamelijk met veld-, bosch- en spitsmuizen. Gevangen exemplaren kunnen zeer tam worden.

De steenuil heet in Holland ook wel boomuil. Hij is de kleinste inheemsche vertegenwoordiger der fami-

23

Sluiten