Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Versche uitwerpselen ondergaan buiten het lichaam een ontleding, doordat er rottings- en ontbindingsprocessen in optreden. Deze hebben vooral een sterke vermindering van het gehalte aan stikstof ten gevolge, welke als ammoniak ontwijkt. Bovendien ontwijken koolzuur en zwavelwaterstof; de organische bestanddeelen worden n.1. door de zuurstof der lucht geoxydeerd. Daardoor neemt het relatieve gehalte aan minerale bestanddeelen toe. Intusschen verminderen deze processen de waarde der uitwerpselen als meststof; daarom tracht men deze processen door een gepaste wijze van bewaren tegen te gaan. In de steden echter moet men, met het oog op de gezondheid der inwoners, er op bedacht zijn de uitwerpselen zoo spoedig mogelijk te verwijderen (zie Stadsreiniging).

Uitwinning:. Hieronder verstaat ons burgerlijk recht de gerechtelijke ontzetting van iemand uit een zaak tengevolge van de tenuitvoerlegging van een vonnis of authentieke akte. De uitdrukking komt o. a. voor in het opschrift van Titel III van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; verder handelt ons Burgerlijk Wetboekin den titel over koop en verkoop uitvoerig over de verplichting van den verkooper om den kooper te vrijwaren tegen geheele of gedeeltelijke uitwinning van het verkochte goed door een derde, die daarop wettige aanspraken kan doen gelden. Over het voorrecht van uitwinning zie Borgtocht.

Uitzetbaarheld noemt men in de natuurkunde die eigenschap der lichamen, welke hen in staat stelt om, onder den invloed van trekkrachten (zie Veerkracht) of door temperatuursverandering (zie Uitzetting), met behoud van hun massa een grooter volume in te nemen.

Uitzetting: noemt men de vermeerdering van volume, die bijna alle lichamen door temperatuursverhooging ondergaan. Bij vaste lichamen kan men hun toeneming in lengte (lineaire uitzetting) of hun toeneming in volume (cubische uitzetting) afzonderlijk beschouwen. De lineaire uitzetting wordt het eenvoudigst aangetoond met behulp van den toestel van Musschenbroeh (fig. 1). De staaf t van de stof, welke men onderzoeken wil, drukt

Fig. 1,

Toestel van Musschenbroeh.

met zijn eene uiteinde tegen het steunblok V en met het andere tegen den korten arm van een hefboom k, waarvan de lange als wijzer (1) over de schaal S loopt. Het blijkt nu, dat de uitzetting nagenoeg evenredig is met de temperatuursverandering, dat m. a. w. deze verlenging voor een temperatuursverhooging van 10° C. ongeveer 10 maal zoo groot is als voor een van 1° C. Op grond van deze eigenschap noemt men de vermeerdering van lengte (uitgedrukt in cm.), welke de lengteeenheid (1 cm.) ondergaat bij verwarming van 0° C.—1° C. den coëfficiënt van lineaire uitzetting. Hij heeft voor verschillende stoffen een verschillende waarde, zooals uit het volgende staatje blijkt;

lood 0,0000 2799 zilver 0,0000 1943 glas 0,0000.0862 zink 0,0000 2976

koper 0,0000 1666 tin 0,0000 2296

De beteekenis van het cijfer voor bijv. koper is dus deze, dat een staafje koper van 1 cm. lengte bij verwarming van 0° C.—1° C. toeneemt met een lengte van 0,0000,1666 cm. en derhalve 1,00001616 cm. lang wordt. Deze lineaire uitzetting speelt in het dagelijksch leven een belangrijke rol. Spoorwegrails worden, met het oog op de uitzetting door de zonnewarmte, aan de laschpunten een weinig van elkander gelegd, metalen vellingen worden gloeiend om het rad gelegd, dat zij na afkoeling vast omklemmen, op het verschil in lineaire uitzetting van metalen berusten de compensatieslingers, de metaalthermometers enz.

Daar vaste lichamen zich niet alleen in de lengte, maar in alle richtingen uitzetten, onderscheidt men bij deze ook een coëfficiënt van cubische uitzetting, welken men definieert als de vermeerdering van volume (uitgedrukt in kub. cm.), welke de eenheid van volume (1 kub. cm.) verwarming van 0° C.—1° C. ondergaat. Hij is in getalwaarde ten naasten bij gelijk.aan driemaal den coëfficiënt van de lineaire uitzetting.

Bij vloeistoffen (en Fig. 2.

ook bij gassen) heeft men alleen met een cubische uitzetting te doen. Men toont haar aan met behulp van een dilatometer (fig. 2).Vult men dezen bij kamertemperatuur tot aan het merk a en verwarmt men daarna, dan ziet men, dat de vloeistof zich uitzet. Daar intusschen de dilatometer zelf ook uitgezet en dus in volu¬

me toegenomen is, zal de Dilatometer.

uitzetting, welke men bij de

vloeistof heeft waargenomen, slechts Fig. 3.

het verschil tusschen haar ware uitzetting en die van den dilatometer zijn, vandaar dat men bij vloeistofen onderscheid moet maken tusschen

de schijnbare (relatie¬

ve) uitzetting ten opzichte van de stof, waaruit het vat, waar¬

in zij zich bevindt, bestaat en de ware uitzetting. Daar op grond van de definitie van den cubischen uitzettingscoëfficient, in verband met zijn betrekking tot den lineairen, uit het hiervoren gegeven staatje valt af te leiden, dat een glazen vat, dat bij 0°C. 1 kub. cm. inhoud heeft, bij 1° C. 1,00002586 kub. cm. moet bezitten, volgt daaruit, dat men den coëfficiënt van ware uitzetting, van een vloeistof ten opzichte van glas verkrijgt, door den coëfficiënt van schijnbare uitzetting met 0,0000 2586 te vermeerderen.

Nog meer dan vloeistoffen zetten gassen zich uit. Men meet

deze uitzetting met behulp van den

toestel, afgebeeld in figuur 3, den zoogenaamden

Luchtthermometer.

Sluiten