Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevoerd waren. In 341 werd hij doorEusebius van Nikomedië tot bisschop gewijd,werkte daarna gedurende 7 jaren onder de W. Goten voor het Ajiaansche Christendom en vluchtte in 350 wegens een Christenvervolging met een groot aantal Goten naar het O. Romeinsche rijk, waar hij te Moesië in de buurt van Nicopolis zijn werk voortzette. Hij nam deel aan de synode van Constantinopel (360) en overleed aldaar in 382 gedurende het Concilie, dat er door keizer Theodosius was bijeen geroepen. Van zijn geschriften is alleen een gedeelte zijner Gotische Bijbelvertaling bewaard gebleven. Naar hetgeen daarvan overgebleven is te oordeelen, gebruikte hij daarbij voor het Oude Testament de Septuaginta, voor het Nieuwe een of meer Grieksche handschriften, welke verloren zijn gegaan. Men zegt, dat hij ten behoeve van zijn vertaling een Gotisch alfabet heeft uitgevonden. In elk geval maakte hij zich verdienstelijk door aan zijn volk een schrijftaal te geven. Van het Nieuwe Testament zijn brokstukken der vier Evangeliën bewaard gebleven; van de Brieven is de tweede Brief aan de Korinthiërs geheel tot ons gekomen en van de meeste andere belangrijke fragmenten. Van het Oude Testament zijn alleen stukken uit Nehemia bewaard gebleven. Onder de handschriften neemt de zoogenaamde „Codex Argenteus" de eerste plaats in. Het werd omstreeks 500 in Z. Italië gevonden en is met zilveren letters op purperkleurig perkament geschreven. Nadat het eerst i:i 't bezit van het klooster Werden aan de Rhur geweest was, kwam het vandaar naar Praag en na de verovering dezer stad door den Zweedschen generaal Königsmark naar Zweden, waar het sedert 1669 in de boekerij van de hoogeschool te Upsala bewaard wordt. De eerste uitgave ervan werd door FransJunius (Dordrecht, 1665) bezorgd. Deze wordt aangevuld door een fragment te Wolfenbüttel en door de palimpsesten te Milaan, welke in hoofdzaak uit het klooster Bobbio bij Turijn afkomstig zijn. Alles wat bewaard gebleven is, werd door iton der Gdbelentz en Lobe („Ülfilas Veteris et Novi Testamenti versionis gothicae fragmenta," 3 dln., Leipzig, 1843—1846) uitgegeven; verder doorStamm en Heyne (llde druk, 1908) en Bernhardt (1884). De „Codex Argenteus" werd in facsimile uitgegeven door Andr. Uppström (Upsala, 1854).

Ulft, Jacob van der, een Hollandsch schilder van stadsgezichten, ruïnes en zeehavens, tevens glasschilder, geboren te Gorinchem in 1627, overleed te Noordwijk in 1689. Hij reisde in Italië, waarna hij naar zijn geboortestad terugkeerde. In 1672, 1673 en van 1675 tot 1678 vervulde hij hier het burgemeestersambt. Hij stoffeerde zijne schilderijen met een menigte aardige, goed geteekende figuurtjes. Zijn talrijke teekeningen stellen meest Italiaansche ruïnes voor. Schilderijen van zijn hand bevinden zich hier te lande o.a. in het Rijksmuseum te Amsterdam, het Mauritshuis te 's Gravenhage, het Stedelijk Museum te Haarlem en het Museum Boymans te Rotterdam.

Ulhoorn, Hendrik, een Nederlandsch geneeskundige, waarschijnlijk geboren in 1692 te Leiden, studeerde te Brussel en woonde als vrijwilliger de belegering bij van Doornik, den slag

van Malplaquet en dien van Denin. Nadat hij te Leiden bevoraerd was tot doctor in de chirurgie reisde

hij geruimen tijd en vestigde zich te Amsterdam,

waar hij in 1736 lector werd in de ontleed- en heelkunde. Van zijn hand verschenen: „Osteologie, dat is beschrijving der beenderen van 's menschen lichaam", „Noodig denkbeelü van spina bifida"

(1732), „Tweede vertoog over de spina bifida"

(1733), „Korte voorstelling van eene nieuw uitgevondene pompspuit" (1741) en eenige vertalingen

van JJuitsche geneeskundige werken. Hij overleed in 1749.

Uil (Fransch Ouli) is de naam van een land¬

schap in het tot den Franschen Senegal behoo-

rend protectoraat, gelegen op den JN. oever van de Middel-Gambia. Het bestaat uit met bosch bedekte heuvels, vruchtbare en goed bebouwde dalen en uit moerassen. Het telt 4 000 inwoners,

verspreid over 19 dorpen. De hoofdstad is Sine

(Delasine); de oude hoofdstad Medina werd in 18 i l

verwoest. Sedert 1887 staat Uli onder Fransch

protectoraat en vormt een onderdeel van het distrikt Nian-Uli.

Uliassntai (Mongoolsch = populierenhaag)

is een stad in Chineesch Mongolië, op een hoogte van 1650 m. boven den zeespiegel aan de gelijknamige rivier gelegen. Het is een belangrijk mid¬

delpunt van de karavaanwegen naar Uerga, Kobdo, Kalgan en Koekoechoto, heeft een garnizoen van 550 soldaten en telt 4 000 inwoners.

Ulitls is een ontsteking van het tandvleesch.

Uil (Oud-Noorsch Ullr), in de Noorsche mythologie de zoon van Sif en de stiefzoon van Thor, was beroemd als boogschutter en sneeuwschoenlooper. Zijn woonplaats heet Ydalir (= iependal); zijn vader wordt nergens genoemd. Waarschijnlijk was hij een winterwezen, waaraan do dondergod ieder jaar zijn gade (de vruchtdragende aarde) moest afdwingen.

Ull&mbanas is een Chineesch godsdienstig feest, dat overeenkomt met dat van Allerzielen in Christelijke landen. Op dien dag worden gebeden opgezegd voor do zielen van de afgestorvenen, heiligdommen gewijd, rijst gestrooid voor de demonen enz. Deze plechtigheid schijnt reeds in de derde eeuw n. Chr. in China te zijn ontstaan.

Ullmann, Karl, een Duitsch Protestantsch godgeleerde,geboren den 15den Maart 1796 te Epfenbach (Palts), vestigde zich in 1819 te Heidelberg als privaatdocent en werd er in 1821 benoemd tot buitengewoon en in 1826 tot gewoon hoogleeraar. In 1829 werd hij hoogleeraar te Halle en in 1836 weder te Heidelberg, terwijl hij in 1853 praelaat en lid van den Badenschen opperkerkeraad en in 1856 directeur daarvan werd te Karlsruhe. Sedert 1828 gaf hij met Umbreit de „Theologische Studiën und Kritiken" uit. In deze en in zijn andere werken stelde hij zich op het standpunt van de zoogenaamde middelaarsgodgeleerdheid. Wij noemen van hem: „Gregorius von Nazianz, der Theolog" (2de druk, 1867) „Johann Wessel, ein Vorganger Luthers" (1834), later onder den titel: „Reformatoren vor der Reformation" (2de druk, 2 dln., 1866), „Historisch oder mythisch?" (1838), „Über den Kultus des Genius" (1840), „Über die Sündlosigkeit Jesu" (nieuwe druk, 1896), „Die bürgerliche und politische Gleichberechtigung aller Confessionen" (1848), en „Das Wesen des Christenthums" (1849 ; 5de druk, 1865). Hij overleed den 12den Januari 1865 te Karlsruhe.

Ulloa, don Antonio de, een Spaansch generaal

Sluiten