Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het door Lodewijk den Duilscher aan de Vrouwenmunsterabdij te Ziirich geschonken, waardoor het onder rijksvoogdij van Ziirich kwam. Keizer Frederik 11 verleende de voogdij ovsr Uri aan de Habsburgers, maar in 1231 kocht zijn zoon, Hendrik VII, vermoedelijk wegens den toen geopenden St. Gotthardweg, het dal voor het rijk terug. Den lsten Augustus 1291 sloot het, daar het zich bedreigd achtte door Oostenrijk, met Schwyz en Unterwalden het Eeuwig Verbond. Wrijvingen met Milaan gaven in 1403 aanleiding tot een reeks van oorlogen, waarvan het einde was, dat het Leventsnadal aan Uri werd afgestaan (1440), nadat het reeds vroeger het Urserndal had verworven (1410). Met tegenzin onderwierp het zich in 1798 aan de Helvetische grondwet, volgens welke het met Schwyz, Unterwalden en Zug tot één kanton Waldstatten werd samengesmolten. In 1799 werd het land, tengevolge van een opstand, dien Soult met geweld dempte, daarna door den strijd tusschen de Franschen eenerzijds en de Oostenrijkers en Russen anderzijds verwoest. Nadat het bij de Mediatieacte (1803) weder als zelfstandig kanton was hersteld, nam het ijverig aandeel aan het werk van den Sonderbund. In 1850 kwam de eerste grondwet tot stand, die in 1888 herzien werd.

Uria (Urias) is de naam van verschillende Oud-Testamentische personen. Onder dezen is vooral bekend Uria de Hethiet, wiens vrouw, Batliseba, door David tot ontrouw verleid en later gehuwd werd. Om dit laatste mogelijk te maken, zond David Uria met een brief naar den opperbevelhebber Joab, waarin gelast was, den brenger in de voorste gelederen te plaatsen, om hem in den strijd om het leven te doen komen. Daarom noemt men Uriasbrief een brief, welke voor den brenger onheil tengevolge heeft.

Uri&g'e of Saint Martin cC Uriage, een vlek in het Fransche departement Isère, ligt 414 m. boven den zeespiegel, in een boschrijk dal aan de stoomtramlijn Grenoble—Vizille. Men vindt er een gerestaureerd slot met een museum van antiquiteiten en schilderijen, een park, een zwavelen ijzerhoudende zoute bron, waarvan het water vooral tegen huidziekten wordt gebruikt, een badinrichting, een casino met een schouwburg, overblijfselen van Romeinsche bouwwerken en (1906) 203, als gemeente 1661 inwoners.

Uriël (Hebreeuwsch = Gods-licht) is een Bijbelsche eigennaam. Volgens den Midrasch is het de naam van een der aartsengelen; deze staat links van den goddelijken troon en brengt Israël verzoening en verlichting. Volgens het boek „Henoch" staat hij aan het hoofd van de engelenlegers en van de onderwereld.

Urim en Tummim (Hebreeuwsch = glans en waarheid) werden vroeger beschouwd als een met het borstschild van den lioogepriester in verband staand orakel, dat op geheimzinnige wijze den wil van Jahve verkondigde. In den laatsten tijd echter verklaart men deze woorden als naam voor de twaalf edelgesteenten van het priesterlijk borstschild, die naar hun glans „urim" en naar de van hen verwachte werking in twijfelachtige gevallen „tummim" genoemd zouden zijn.

TJrinatores is volgens Sundevall een orde van vogels, die de duikers, de alken en de pingoeins omvat. Zie Zwemvogels.

Urine enz. Zie Pis enz.

Urk is een eiland in de Zuiderzee, 80 H. A. groot met (1910) 2642 inwoners, dat één gemeente vormt en tot de provincie Noord-Holland behoort. Het ligt vrijwel op gelijken afstand van de kusten van Noord-Holland, Friesland, Overijsel en Gelderland en bestaat uit twee verschillende deelen: de W. helft is n.1. een diluviale grintheuvel, tot 8 m. hoog, het O. lijk gedeelte is een laag en vlak terrein, uit alluviaal zand bestaande, tot 2,2 m. boven volzee gelegen, dat in het N. O. in een smalle zandplaat eindigt, de Staart geheeten. Deze zou ontstaan zijn door de stormen van November 1775 en 1776 en bevat in den ondergrond op eenige plekken klei en daaronder laagveen. Ook werden vroeger wel eens geringe hoeveelheden barnsteen op Urk gevonden. Het lage gedeelte, dat wel «/, van het eiland beslaat, loopt somtijds onder en wordt als weiland gebruikt; de bevolking woont op het hoogere gedeelte in huizen, die öf alleen liggen óf in groepjes vereenigd staan. Samen vormen zij het Dorp, verdeeld in 4 wijken: Bovenbuurt, Binnenbuurt, Achterbuurt en Havenbuurt. Hier liggen een twintigtal putten, om in de behoefte aan drinkwater te voorzien. Urk bezit een Hervormde en een Gereformeerde Kerk, een school en een vuurtoren. Aan de Z. zijde vindt men de haven, in 1819 aangelegd en in 1834 en 1856 verbeterd en vergroot. Zij wordt geregeld aangedaan door de booten, die tusschen Kampen en Enkhuizen varen. Behalve in het Z. W. bij de woningen, waar steenglooiingen liggen, is het eiland omgeven door paalwerk, waarachter langs de lagere gronden in het O. een zandkade ligt. De bevolking leeft hoofdzakelijk van vischvangst en daarnaast van veeteelt, vooral runderteelt, en heeft door haar isolement veel oude gebruiken en zeden, alsook haar eigen kleederdracht behouden.

Reeds in 966 wordt Urk als eiland genoemd, hoewel het waarschijnlijk eenmaal door veenachtige gronden met de kust van Overijsel was verbonden. In genoemd jaar werd het eiland voor de helft door keizer Otto den Groote aan het St. Pantaleonsklooster te Keulen geschonken, kwam later aan het klooster te Elten, vervolgens aan de graven van Kuinre en eindelijk aan de Heeren van Voorst. In 1660 verkocht Johan van de Werve de heerlijkheid Urk aan de stad Amsterdam en van toen af bleef het eiland bij Holland behooren.

Urlichs, Ludwig, een Duitsch taalgeleerde en oudheidkundige, geboren te Osnabrück den 9den November 1813, studeerde te Bonn, vestigde zich aldaar in 1840 als privaatdocent, werd in 1844 buitengewoon hoogleerar te Bonn, in 1847 gewoon hoogleeraar te Greifswald en in 1855 te Würzburg. Hij verwierf zich vooral bekendheid op het gebied det topografie van Rome en der kunstgeschiedenis, vooral van de Oudheid. Hij was de voornaamste medewerker aan Platnefs „Beschreibung der Stadt Rom" (3 dln., 1829—1843) en de schrijver van den „Codex urbis Romae topographicus" (1871). Van zijn werken op het gebied der kunstgeschiedenis noemen wij: „Chrestomathia Pliniana" (1857), „Skopas' Leben und Werke" (1863), „Vindiciae Plinianae" (2 stukken 1853—1866), „De vita et honoribus Agricolae" (1863), „Die Anfange der griechischen Künstlergeschichte" (2 stukken 1871—1872), en „De vita et honoribus

Sluiten