Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoewel ook op de zandgronden veeteelt van belang is, en wel runderteelt met het oog op de mest en schapen- en bijenteelt op de uitgestrekte heidevelden. De landbouw in de W. helft is beperkt tot de hooger gelegen kleigronden en levert tarwe, gerst, peulvruchten en aardappelen, als ook ooft; in den Loopikerwaard verbouwt men hennep. Op de lager gelegen zandgronden van het O. worden rogge, aardappelen en boekweit geteeld; tabak wordt nog in de gemeenten Renen, Amerongen, Leersum en Mijdrecht verbouwd; in 1909 besloegen de tabaksvelden in de provincie een oppervlakte van 203 H. A. (in geheel Nederland van 393 H. A.). De uitgestrekte bosschen geven tot houtteelt aanleiding. Terwijl de ontginning van het hoogveen zoo goed als afgeloopen is, wordt er nog veel laagveen gebaggerd. Vischvangst op de Zuiderzee wordt alleen door Spakenburg (Bunschoten) uitgeoefend, op den Rijn-Lek vangt men zalm en elft. De nijverheid heeft zijn centra in Venendaal (wol en katoen), Amersfoort (katoen en tapijten) en de stad Utrecht (zie aldaar); in de dorpen langs den Hollandschen IJsel worden in verband met de teenen wilgen, manden en matten gevlochten. Middelpunt van den handel is de stad Utrecht. In 1909 was de bodem als volgt verdeeld;

Bouwland 16 099 H. A.

Blijvend grasland. 73 824 „

Tuingrond 5 340 „

Bosch 19 902 „

Woeste gronden 6 714 „

De woeste gronden zijn ook in deze provincie in den loop der jaren sterk verminderd, daar zij in 1833 nog 16 369 H. A. besloegen.

De voornaamste landbouwgewassen besloegen in 1909 een oppervlakte van:

Granen 9369 H.A.

Boekweit 905 „

Peulvruchten 744 „

Handelsgewassen 310 „

Knol-, wortel- en bolgewassen 4073 „

Groenvoedergewassen 952 „

Braakland 628 „

De veestapel omvatte in 1909:

Paarden 12 914 stuks.

Rundvee 101428 „

Schapen 13 381 „

Bokken en geiten 6154 „

Varkens 57 635 „

Pluimvee 233 909 „

Bijenkorven 4 663 „

In 1906 bedroeg de boter- en kaasproductie op boerderijen resp. 880 000 en 11115 000 kg., in 1908 in fabrieken 598 000 en 100 000 kg.

De economische toestand der provincie is gunstig, want zij behoort tot de rijkste provincies des lands. Dit hangt voor een niet gering deel daarmede samen, dat eigenaren van den grond, ten deele nakomelingen van den ouden Stichtschen adel, meestal in de provincie zelf verblijf houden op hun fraaie landhuizen; ook de vele villadorpen, vooral langs den heuvelrug, die 's zomers heel wat vreemdelingen aanlokken, draagt er toe bij. De toestanden bij de bewoners van de O. en W. helft vertoonen overigens nog al wat verschil. Die van de eerstgenoemde streek stemmen, in menig opzicht

met de bevolking der naburige Veluwe overeen en kenmerken zich door eenvoud in kleeding, behoeften en woning, gehechtheid aan het oude, geen groote weelde, maar ook geen drukkende armoede; in de W. helft bestaat meer overeenstemming met het naburige Holland, kent men meer behoeften en leefde men in de voor den landbouw zoo gunstige periode van 1870—1880 op grooten voet, doch heerscht thans daarentegen bij menigeen armoede. Eigenaardige kleederdrachten vindt men nog in de gemeenten Bunschoten en Eemnes.

Bestuur. Evenals in de overige provincies staat de Commissaris des Konings aan het hoofd van het bestuur, ter zijde gestaan door de Gedeputeerde Staten, een college van 6 leden. Het wetgevend gezag deelt hij met de Provinciale Staten, die 41 leden tellen. Naar de Eerste Kamer zendt Utrecht 2, naar de Tweede Kamer 5 leden. Voor de rechtspraak ressorteert de provincie onder het Hof te Amsterdam; zij bezit 1 arrondissementsrechtbank, n.1. te Utrecht, en 4 kantongerechten.

De provincie bezit een der rijks-hoogescholen, de veeartsenijschool, het meteorologisch instituut en de munt, een aartsbisschoppelijk seminarium te Rijsenburg, het seminarium der Oud-Bisschoppelijke Cleresie te Amersfoort, 1 gymnasium, een Christelijk gymnasium, 1 rijkshoogere burgerschool, 2 gemeentelijke hoogere burgerscholen, en een hoogere burgerschool voor meisjes met 5 jarigen cursus, gemeentelijke 3 jarige hoogere burgerschool, een industrie- en huishoudschool, onderscheiden ambachtsscholen, teekenscholen en avondscholen. Voor het lager onderwijs ressorteert de provincie onder de tweede inspectie en omvat 1 distrikt en 6 arrondissementen. In 1909 telde men is de provincie 256 lagere scholen met 1373 leerkrachten 22 907 mannelijke en 22 034 vrouwelijke leerlingen.

Geschiedenis. Het gebied, dat thans door de provincie Utrecht wordt ingenomen, speelt reeds vroeg, in elk geval in den tijd der Merovingers, een belangrijke rol, vooral wegens het belangrijke splitsingspunt van den Rijn bij de tegenwoordige stad Utrecht. Haar oude naam Trajectum wijst op een punt van overgang over de rivier. Ter bescherming daarvan werd waarschijnlijk door de Romeinen (wellicht op de plaats van het tegenwoordige Domplein) een burcht of sterkte gebouwd, en dit bevorderde weer de nederzetting van een handeldrijvende bevolking bij het veer over de rivier. De stichting van een bisdom was van niet minder beteekenis; wel werd de kapel door Dagóbert I hier gesticht, nog een paar malen verwoest, daar Utrecht in de 7de eeuw een twistappel tusschen Friezen en Franken was, maar in 695 werd het Christendom er voor goed gevestigd met het optreden van Willebrord als eerste bisschop van Utrecht. Wel waren de bisschoppen aanvankelijk slechts kerkvorsten, maar dit veranderde spoedig, daar door schenkingen, vooral door de Duitsche keizers, groote bezittingen aan den kerkelijken stoel kwamen, zoodat de kerkvorsten ook wereldüjke heerschers werden. De invallen der Noormannen, waardoor vooral de stad Utrecht te lijden had, veroorzaakten slechts tijdelijk schade, en na de verwoesting van Dorestad (Duurstede) door de Noormannen, bloeide de stad Utrecht

Sluiten