Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerië en als luitenant-kolonel in 1831 en 1832 bij de expeditie naar België. Van 1837 tot 1838 was hij inspecteur der vestingwerken in Algerië en zag zich daarna geplaatst aan het hoofd der polytechnische school. Weldra echter legde hij die betrekking neder en belastte zich in 1845 als luitenant-generaal met den aanleg der vestingwerken rondom Parijs. In Mei 1849 werd hij commandant van het korps ingenieurs,naar Rome bestemd, en verwierf bij de belegering van deze stad den rang van maarschalk. In 1854 werd hij minister van Oorlog en in 1860 van het Keizerlijk huis, in 1864 grootkanselier van het Legioen van Eer. In 1870, na den val van het Keizerrijk in ballingschap gezonden, keerde hij in 1871 naar Parijs terug en overleed den 4'l!m Juni 1872. Sedert 1853 was hij lid der Academie van Wetenschappen.

Vaillant, Edouard, een Fransch socialist, geboren te Vierzon in 1840, promoveerde in 1865 in de wijsbegeerte, studeerde daarna gedurende eenigen tijd in de medicijnen en vertrok vervolgens naar Duitschland om zijn studie te voltooien. Te Heidelberg werd hij lid van de Internationale. Na de oorlogsverklaring in 1870, begaf hij zich naar Parijs, werd ingelijfd bij de Nationale Garde en verbreidde gedurende de belegering de ideeën van de Internationale onder de bevolking van Parijs.Hij kreeg veelin-

vloed bij de werklieden van het kwartier du Temple en werd tot lid van de Commune benoemd.Nadat deze onderdrukt was, werd hij ter dood veroordeeld, doch wist naar Engeland te ontvluchten. Na de amnestie keerde hij naar Frankrijk terug, nam opnieuw een levendig aandeel aan de staatkunde en werd in 1884 lid van den Gemeenteraad van Parijs. In 1888 werd hij redacteur van „L'Homme libre". Hij werd in 1893 tot afgevaardigde van het departement van de Seine gekozen.

V&isja of Vaifya, de derde kaste der Oud-Indiërs, omvatte de boeren en de burgers. Zie verder Kaste.

Vajda, Johan, een Hongaarsch dichter, geboren den 7den Mei 1827 te Pest, was op verschillend gebied werkzaam, o. a. als tooneelspeler, onderwijzer, staathuishoudkundige, landbouwkundige enz. en nam levendig aandeel aan de politieke beweging van 1848. Hij nam dienst bij het Honvedleger en moest na den opstand als gewoon soldaat in het keizerlijk leger in Italië dienen. In 1853 kwam hij als journalist te Pest. Zijn dichtbundel „Költemények" (1856) vond veel bijval, daarop volgden „Uj dalok"(1858), ,,Vészhangok"(1680), „Kisebb költemények"(1872) en „Ujabb költemények"(1876). In 1892 verscheen een verzameling van zijn gedichten, geschreven sedert 1887, zijn laatste gedichten verschenen in 1895. Zijn poëtische vertelling „Bela kiralyfi"(1854) en zijn treurspel ,,Ildiko"(1857) werden verschillend beoordeeld. De vertelling „Alfred regénye" (1875), het sprookje „Javorfa" en de tafereelen uit het leven te Pest „Talalkozasok" lijden aan een overdreven naturalisme. Hij overleed den I7den Januari 1897.

Vakvereemarinaren. Na hetgeen omtrent

vakvereenigingen van arbeiders is medegedeeld in het artikel Arbeidersvereenigingen, willen wij nog het een en ander mededeelen omtrent den stand der vakvereenigingen ten onzent. In het bovengenoemde artikel konden alleen enkele cijfers gegeven worden over het aantal dier vereenigingen in 1895. Thans zijn betere gegevens aanwezig, ontleend aan de door het Centraal Bureau voor de statistiek uitgegeven Statistiek der Vakvereenigingen in Nederland (1905 en 1907), welke in 1909 werd voortgezet. Nog altijd is deze statitiek niet compleet, omdat sommige besturen inlichtingen weigerden:

Aantal bekende Aantal vereen., die Aantal leden

vereenigingen. inlichtingen gaven. dezer laatsten.

A de Christelijke vereenigingen

1. Protestantsche 202 180 6707

2. Roomsch-Katholieke 474 402 19885

3. Overige 33 28 2761 B Andere vakvereenigingen 1546 1441 98450

Totaal 2254 2051 127803

Indien de vereenigingen, die inlichting weigerden, van denzelfden omvang waren als de andere, wordt het totaal der in 1909 in vakvereenigingen aangesloten werklieden in Nederland 140 500. Voor verdere gegevens verwijzen wij naar bovengenoemde publicatie.

Vakwerk is de naam van een soort licht bouwwerk, waarvan de wanden uit houten stellages bestaan, terwijl de tusschenruimten (vakken) met muurwerk of houtwerk worden gevuld. Vroeger kwamen zij in houtrijke streken van Duitschland, bijv. in den Harz en aan den Rijn, alsook in Zwitserland, veel voor; deze oude huizen verdwijnen echter meer en meer. Tegenwoordig wordt deze bouwwijze voor villa's en buitenhuizen weder toegepast. Ook heeft men ijzeren vakwerk geconstrueerd. Op deze wijze gebouwde huizen hebben het voordeel, dat zij weinig ruimte en weinig materiaal eischen, snel vervoerd en snel gebouwd kunnen worden, weinig

brandgevaar opleveren en slechts in geringe mate aan bederf onderhevig zijn.

Val. Zie Brug.

Val is de naam van een toestel, waarin dieren worden gevangen. Men onderscheidt vallen, waarin de dieren dadelijk gedood worden, en andere, waarin zij levend worden gevangen. Beide komen in zeer verschillende vormen voor. De moordval bestaat uit een met graszoden bedekt stuk hout, dat met den eenen kant op den grond wordt geplaatst en aan den anderen kant wordt onderstennd, zoodat het schuin omhoog staat. De ondersteuning is zoodanig, dat zij wegvalt, wanneer het met haar verbonden lokaas wordt aangeraakt. Gebeurt dit. dan stort het hout naar beneden en doodt hekdier. Zeer verbreid zijn de vallen in den vorm van een kist met deuren aan een of aan beide zijden, die door een klep worden gesloten, zoodra het dier, dat in de val komt, het lokaas aanraakt. Hierin wordt het dier levend gevangen.

Sluiten