Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een veel gebruikte val voor het vangen van marters is fli" in den vorm van een platte kist, waarop in het midden het aas wordt gelegd. Bij aanraking brengt het een veer in beweging, die 2 ijzeren beugels omhoog doet slaan, tusschen welke het dier gevangen en gedood wordt. Een soortgelijke val is de zwanenhals, waarin wolven, vossen, marters enz. worden gevangen. Deze bestaat uit een beugel, die om den hals van het dier wordt geslagen: wanneer het aas wordt aangeraakt. Bij de zoogenaamde klemmen wordt in dat geval een beugel om den poot van het dier geslagen.

Val of Vrije val noemt men de beweging, welke niet ondersteunde lichamen in verticale richting aannemen door de werking der zwaartekracht. Hoe langer deze beweging aanhoudt, hoe grooter haar snelheid wordt, zooals gemakkelijk met het oog kan waargenomen worden. Galilei (1602) vermoedde, dat de snelheid der vallende beweging evenredig is met den valtijd en dus de vallende beweging een eenparig versnelde moet zijn. Is g de snelheid, verkregen ra de eerste seconde; en v die na de tde, dan kan men deze betrekking eenvoudig uitdrukken door de formule v = gt. Door een beschouwing, welke wij hier achterwege laten, vindt men dan voor den door-

loopen weg sint seconden de uitdrukking s= 1/t gt2, m. a. w. de doorloopen wegen zijn evenredig met de tweede machten der daarvoor benoodigde tijden. Deze laatste wet, die een lpgisch gevolg is van de

mcrooven genoemde veronderstelling van Uahlei, vond hij door proefnemingen bewezen. Hij liet daartoe een bol door een hellende goot naar beneden loopen. Hierbij had hij weliswaar niet met een zuiveren vrijen val te doen, maar hij mocht aannemen, dat daarbij de beweging aan dezelfde wetten gehoorzaamde als de eigenlijke vrije val. Bij gebrek aan een uurwerk, mat hij de verloopen tijden door dehoeveelheden water te wegen, welke uit een nauwe opening gestroomd waren. Thans bewijst men de valwet met behulp van den valtoestel van Atwood (zie aldaar).

Val. is bij diernamen een afkorting voor den Franschen dierkundige Achille Valenciennes (1794— 1864).

Valabrègtie, Albin, een Fransch blijspeldichter, geboren den 17den December 1853 te Carpentras (Vaucluse), werd eerst meer bekend door de opvoering van „Le bonheur conjugal"(1886). Zijn beste werk is „Le premier mari de France"(1893), waarvan de intrige, evenals van zijn meeste andere werken, door een handige verwisseling van personen ontstaat. Met Ordonneau schreef hij: „Durand et ^ Durand" (1887), „Les Boulinard" (1890) en „L'Etude Tocasson" (1902), van zijn overige werken noemen wij nog: „Place aux femmes" (1898). Op godsdienstig-wijsgeerig gebied trad hij op met „La Philosophie au XX. siècle" (1895).

Valais, Le. Zie Wallis.

Valaoritis, Aristoteles, een Nieuw-Grieksch dichter, geboren den 2d*"> Augustus 1824 op het eiland Leukas (Santa Maura), studeerde te Korfoe, Genève en Parijs. Later werd hij te Athene tot afgevaardigdegekozen. Hij overleed den 24sten Juli 1879. Zijn eerste gedichten verschenen in 1845, daarop volgden verschillende andere bundels. In 1868 gaf Paul Lampros een uitgave in 2 deelen uit. Valaoritis sloot zich bij de volkstaal aan en ontleende zijn stof ook aan het volk, waardoor er een oppositie tegen zijn kunst van de zijde der puristen ontstond. Zijn

kunst staat ver boven die van de meeste andere Nieuw-Grieksche dichters.

Valburg-, een gemeente in de provincie Gelderland, 4783 H.A. groot met (1910) 5825 inwoners, wordt begrensd door de gemeenten Dodewaard, Hemmen, Heteren, Eist, Bemmel, Beuningen en Ewijk. De grens met de gemeenten Ewijk en Beuningen wordt door de Waal gevormd, terwijl het gebied der gemeente door de Linge wordt doorsneden. De bodem bestaat uit klei, hier en daar met grint vermengd. De voornaamste bezigheid is landbouw. Tot de gemeenten behooren de dorpen Valburg, Oosterhout, Slijk-Ewijk, Herveld, Andelst, Zetten en Homoet, benevens de gehuchten Loenen en Wolfhezen. Er is een station van de spoorlijn Arnhem—Gelderm alsen—Dordrecht.

Het dorp Valburg wordt onder den naam Falburcmarca reeds in de 9de eeuw vermeld. Men vindt er een Hervormde en een Katholieke kerk. Vroeger was er een kasteel.

Valck, Gerarcl Leendertsz., een Hollandscb graveur, geboren te Amsterdam in 1626, overleed aldaar in 1694. Hij was een leerling van A. Bhoteling, van wien hij het graveeren van zwartekunst prenten leerde. Zijn prenten naar Lely, van Mus scher e. a. zijn niet zonder verdienste.

Valcke, Jacob, een Nederlandsch staatsman, waarschijnlijk geboren te Goes tusschen 1530 en 1540, werd in 1575 secretaris van Goes en zag zich met drie zijner stadgenooten in 1577 afgevaardigd, om met prins Willem I over de satisfactie der stad te onderhandelen.Kort daarop werd hij pensionaris van Goes en nam in 1579 deel aan de Unie van Utrecht. Vervolgens werd hij lid van het collegie van gecommitteerde raden in Zeeland en behoorde

na den dood van prins Willem, I tot het gezantschap, dat eerst den koning van Frankrijk en daarna koningin Elizabeth het oppergezag over de Nederlanden aanbood. Hij was lid van den Raad van State, maar

nam daaruit ontslag bij de komst van Leycester, zag zich bij herhaling met gewichtige zendingen belast, werd in 1590 ontvanger-generaal van Zeeland, vertegenwoordigde bij verschillende gelegenheden buiten 's lands de Algemeene Staten, bevorderde de uitrusting van schepen tot het zoeken van een noordwestelijke doorvaart en vertrok in 1601 met Oldenbarneveldt naar Frankrijk en twee jaar later met dienzelfden staatsman naar Engeland, waar hij den 2den Juni 1603 overleed. Hij was heer van Cats en Wolfaartsdijk.

Valckenaer, Lodeurijk Casper, een Nederlandsch letterkundige, geboren te Leeuwarden den 7den Juni 1715, studeerde te Franeker en te Leiden onder Hemsterhuis en volgde dezen op, na eerst te Kampen het rectoraat te hebben bekleed, eerst te Franeker en in 1766 te Leiden, waar hij den 14den Maart 1785 overleed. Hij gaf de „De differentia adfinium vocabulorum" van Ammonius uit (2 dln., 1739), verder de ,,Phoenissae"(1755) en „Hippolytus" van Euripides en de „Diatribe in Euripidis perditorum dramatum reliquias"(1768), de brieven van Phalaris (2 dln., 1777), Theocritus, Bion en Moschos (1779—1881), gaf aanteekeningen bij Herodotos (in de uitgave van Wesseling, 1763) enz. Zijn „Orationes" werden in 1784 uitgegeven. Uit zijn nalatenschap gaf Luzac uit „Callimachi fragmenta" (1799) en „Diatribe de Aristobulo Judaeo"(1806). Verzameld verschenen: „Opuscula philologica, cri-

Sluiten