Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d e de onregelmatigheden in de beweging van de Maan. Zij werd het eerst door Aboel Wefa en later weder door Tycho Brahe ontdekt. In de syzygiën en de quadraturen verdwijnen zij; in de octanten daarentegen bedragen de verschillen tusschen de ware en de gemiddelde hoeksnelheid van de Maan 39'.

In de muziek verstaat men onder variaties de verschillende bewerkingen van eenzelfde, overheerschend thema, dat echter steeds herkenbaar moet blijven. Gewoonlijk verandert de variatie één of in elk geval een gering aantal elementen van het thema, bijv. de maat of de melodie.

In de wiskunde vormt de variatie een element der combinatieleer (zie aldaar).

Variatierekening;, een hoofdstuk der hoogere analyse, heeft ten doel een functie aldus te bepalen, dat een bepaalde, daarvan afhankelijke integraal een grootste of kleinste waarde (maximum of minimum) aanneemt. Het eerste vraagstuk van dien aard werd in 1696 door Bernoulli opgesteld. Als grondlegger der variatierekening moet echter Euler beschouwd worden. Zijn methode werd later door Lagrange belangrijk vereenvoudigd en verbeterd. De vraag of de functie, bepaald door voorwaarden (differentiaalvergelijkingen), waaraan noodzakelijk moet worden voldaan, inderdaad aan de integraal een uiterste waarde geeft, houdt de wiskundigen nog steeds bezig en heeft nog geen algemeene oplossing gevonden.

Variëteit. Zie Soort.

Variolae. Zie Pokken.

Variometer is de algemeene naam van toestellen, waarmede men de veranderingen van zekere grootheden, bijv. van het aardmagnetisme of den luchtdruk, waarneemt.

Variot, Gaston, een Fransch geneeskundige, geboren in 1855 te Demigny (Saóne-et-Loire), was eerst verbonden aan ziekenhuizen en stichtte in 1892 de geneeskundige inrichting te Belleville. Hij werd directeur van een kinderziekenhuis te Parijs, en deed vervolgens in opdracht der regeering een reis naar Engeland en Italië om de kinderziekenhuizen aldaar te bestudeeren. Van zijn werken noemen wij. „Traité d' histologie" (met Klein), „Diphtérie et sérumthérapie" (1895), „Le Médecin de 1' enfance" (1891), ,,L' AUaitement artificiel", „La Stérilisation du lait," ,,L' Atrophie infantile (1896) en „Procédés de mensuration de 1'air du coeur par la radioscopie". Gedurende eenigen tijd was hij redacteur van het „Journal de clinique et thérapeutique infantile." Hij vond een middel uit om getatoueerde figuren te doen verdwijnen en ontdekte een methode om lijken te balsemen.

Varius Rufus, Lucius, een Romeinsche dichter, geboren omstreeks 74 v. Chr., was een vriend van Horatius en Virgilius, wiens „Aeneïs" hij na diens dood op last van Augustus uitgaf. Een treurspel van Varius, „Thyestes" genaamd, is, evenals een epos, den dood van Caesar behandelend, en een lofdicht op Augustus bijna geheel verloren gegaan. Hij overleed in 14 v. Chr.

Varken of Zwijn (8us\ zie de platen) is de naam van een zoogdier, dat tot het geslacht der veelhoevigen of dikhuidigen (zie aldaar) behoort. Het heeft 4 met hoeven bedekte teenen aan eiken poot, waarvan de beide buitenste korter zijn dan de overige twee en den grond niet of slechte even aanraken. Elke teen bezit 3 kootjes. De huid is

tamelijk dik en met stijve haren (borstels), die aan het uiteinde gespleten zijn, bedekt. Deze zijn op het midden van den hals en den mg het dichtst. Bij de wilde varkens en bij sommige rassen, die 's winters aan een groote koude blootgesteld zijn, vindt men tusschen de borstels wollige haren. Bij de varkens in tropische gewesten is het haarkleed veel minder sterk ontwikkeld, ook bij vele veredelde rassen in de gematigde luchtstreken is de huid slechts dun met haar bezet. De snuit, die door een afzonderlijk been ondersteund wordt, heeft een eigenaardigen vorm en is geschikt voor het omwoelen van den grond. Ook dient hij als tastorgaan. De ooren zijn tamelijk ontwikkeld, de oogen zijn klein, de pooten van een gemiddelde lengte, evenals de staart; deze is onbehaard en alleen aan het uiteinde van een kleine kwast voorzien. Het varken heeft in elke kaak 6 vooruitstekende snijtanden, aan weerszijden een hoektand, die vooral bij de wilde varkens sterk ontwikkeld is, naar boven is gekromd en als verdedigingswapen dient, en 7 van kleine, met email bedekte knobbels voorziene kiezen. Uit het gebit blijkt, dat het varken tot de omnivoren behoort. Het heeft een enkelvoudige maag en een darmkanaal, dat 12—16 maal zoo lang is als het lichaam. Het aantal tepels bedraagt meestal 12. Het mannelijk varken heet beer of ever, het gecastreerde dier barg, het vrouwelijk dier zeug of mot, het jonge dier big, in Gelderland keu. Wegens zijn snelle ontwikkeling is het tamme varken reeds op een leeftijd van 43/t—1 jaar geschikt voor de voortplanting, het werpt gemiddeld 4—20 jongen en is dus zeer vruchtbaar. Het wilde varken brengt eens per jaar jongen voort, het tamme meermalen. De biggen wegen gemiddeld 0,8—2 kg., de gewichtstoename is zeer verschillend; bij de gewone landvarkens bedraagt zij 5 & 6 kg. per maand, bij de veredelde Engelsche rassen kan zij in den eersten tijd 9 k 10 kg. bedragen. De varkens zijn aan verschillende ziekten onderhevig (zie Varkensziekten).

In alle werelddeelen, behalve in Amerika, treft men verschillende soorten wilde varkens aan. Voor de afstamming komen vooral het Europeesche wilde varken (sus scrofa ferus) en het Indische wilde varken (sus indieus ferus) in aanmerking. Het Europeesche wilde varken wordt 1,8 m. lang, 95 cm. hoog en heeft een staart van 25 cm., het gewicht bedraagt tot 200 kg. Het heeft een langen, smallen kop, een opwaarts gekromden rug en is bedekt met donkerbruine of zwarte borstels, die zich op het voorste gedeelte van den rug tot een soort kam of manen verlengen, die het vertoornde dier opzet. De paartijd valt in November of December, in het voorjaar werpt de zeug 4—10 jongen, die 's zomers bij de moeder blijven en door haar trouw worden beschermd. Met 18—19 maanden is het dier geschikt voor de voortplanting, met 5— 6 jaar is het volwassen, het bereikt waarschijnlijk een leeftijd van 20—30 jaar. Vroeger kwam het in geheel Europa, ook in ons land, voor, thans voornamelijk nog in enkele bergstreken van Frankrijk en België, in Polen en in het Z. O. van Europa; verder treft men het aan in Noord-Afrika en in Noord-Azië. Ten N. van 55° N. Br. komt het niet voor. Het dier wordt ijverig gejaagd, omdat het aan akkers en bosschen groote schade toebrengt, het vieesch is fijn en smakelijk, huid en borstels

Sluiten